Interviews

Via een lichtbaan naar deze wereld

Interview met Andreas Burnier door Manja Ressler, in iets andere vorm verschenen in het Nieuw Israelietisch Weekblad van 7 maart 1997


Ruim tien jaar na De trein naar Tarascon verscheen onlangs De wereld is van glas, de nieuwe roman van Andreas Burnier (1931, Den Haag). Het is haar eerste uitgespro ken ‘joodse’ boek geworden, haar tweede ‘coming out’, zoals haar debuut Een tevreden lach (1965) haar homosexuele ‘coming out’ was. In 1987 verscheen nog een bundel ‘essays over goed en kwaad’, De rondgang der gevangenen. Deze essays laten nog geen enkele affiniteit met het jodendom zien. Emeritus-hoogleraar criminologie C.I. Dessaur/Andreas Burnier neemt de lezer in haar beschouwingen mee in een rondgang langs platonisme, boeddhisme, taoïsme, chakra-psychologie, antroposofie en holisme.

 

Tussen 1987 en 1997 heeft kennelijk een ingrijpende verandering plaatsgevonden in het leven en denken van Andreas Burnier.

 

‘In de periode dat ik normaal gesproken een nieuwe roman zou zijn gaan schrijven, vond mijn terugkeer naar het jodendom plaats. Ik was veertien jaar oud bij de bevrijding en kopschuw geworden voor alles wat met jodendom te maken had, hoewel ik mij daarvan niet bewust was. Ik associeer de joden dom met vervol ging en dood, of op zijn best met in je eentje als kind zien te overleven, ondergedoken bij wildvreem de mensen. Mijn ouders waren voor de oorlog al liberaal-joods en hadden, zeker na de oorlog, wel enige neiging tot assimilatie.  Mijn grootouders waren nog tamelijk orthodox, maar die bemoeiden zich niet met mijn opvoeding. Eigenlijk denk ik dat iedereen het een veilig idee vond dat ik niets aan jodendom wilde doen, goed kon leren en mij zo later een plaats in de Nederland se samenleving zou kunnen verwerven.

 

Ondanks dat bijna volledige verdringen van mijn jodendom, kwam het af en toe tevoor schijn in mijn werk. Het Jongensuur (1969), dat over de onderduik gaat, drong zich aan mij op terwijl ik bezig was mijn dissertatie te schrijven. En ook in De trein naar Tarascon (1986) vind je ineens joodse erupties. Maar joodse thematiek bleef verder uiterst marginaal in mijn werk. Een belangrijk moment in mijn terugkeer was dat Judith Herzberg mij in 1989 meenam naar het sterfbed van haar vader, en later naar diens begrafenis, die op liberaal-joodse wijze plaatsvond. Die rituelen herkende ik en zij spraken mij intens aan.

 

Maar er gebeurde meer in datzelfde jaar. Ik bezocht het voormalige kamp Westerbork en later Dachau. Het bezoek aan Dachau veroorzaakte een psychosomatische schok, die mij paradoxaal genoeg bevrijdde van mijn angst. Ik werd ziek, kort maar zeer hevig, en toen ik weer beter was, bleek het taboe op jodendom uit mijn leven verdwenen.

 

Eind 1989 overleed mijn vader, die lid was van de Liberaal Joodse Gemeente in Den Haag. Tijdens en na zijn overlijden werd ik weer geconfronteerd met joodse rituelen, die mij een gevoel van thuishoren gaven. Kort daarna ben ik lid geworden van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam. Ik wist helemaal niets, dacht ik. Pas toen ik al een tijdje naar de synagoge ging, begon ik mij fragmenten van joodse teksten en melodieën te herinneren die mijn grootmoeder met mij had gezongen toen ik een kind was.

 

Na een halve eeuw zat ik eindelijk op mijn eigen spoor. Ik had daardoor aanvankelijk geen enkele behoefte mij literair te uiten, laat staan een roman te schrijven. Ik wilde alleen maar opnemen. Ik ben Hebreeuws gaan leren, ik heb mij verdiept in joodse geschiedenis, joodse filosofie en joodse mystieke stromingen. Ik had het gevoel dat ik vijf jaar oud was en alles nog moest leren. Naarmate ik verder kwam met studeren, trad steeds vaker een fausse reconaissance op: ik herkende dingen die ik onmogelijk kon weten. Veel van wat ik leerde, gaf mij het gevoel alsof dat als het ware genetisch geërfde kennis van mijn voorouders was.

 

Onderduikkinderen

 

In 1992 nam ik deel aan een congres van voormalige onderduikkinderen, dat was georgani seerd door Joods Maatschappelijk Werk. Dat gaf de ‘finishing touch’ aan mijn terugkeer naar het jodendom. Het was een opluchting voor mij aspecten van mijzelf bij anderen te herkennen. Ik zag dat sommige van mijn minder plezierige eigenschappen collectief voorkwamen bij kinderen die de oorlog dankzij de onderduik hadden overleefd, zoals een extreem onaangename puberteit, of het abnormaal harde werken als volwassene. Ik had mijzelf dat altijd aangerekend, maar doordat ik nu weet dat het zeer veel voorkomende eigenaardigheden zijn van mijn generatie, is mijn gevoel over mijzelf verzacht. In de afgelopen periode heb ik in de ontwikkeling van mijn joodse kennis een eerste platformpje bereikt. Ik weet niet meer helemaal niets, en kan daardoor weer schrijven.’

 

De wereld is van glas is de literaire neerslag van de integratie van deze terugkeer naar het jodendom in het leven en denken van Andreas Burnier geworden. Haar centrale thema van zich niet thuis voelen in deze wereld wordt in deze roman uitgewerkt in de context van joodse religie en geschiedenis. De ik-figuur schrijft een reeks brieven aan een onbekende – en misschien imaginaire – rabbijn, waarin zij haar terugkeer tot het jodendom in een late fase van haar leven aan hem uitlegt en hem om hulp vraagt bij het beantwoorden van de kernvragen uit haar leven. Dat zijn twee vragen die nauw met elkaar samenhangen: waarom raak ik de woede over alles wat verkeerd is in de wereld niet kwijt en waarom raak ik niet bevrijd van de behoefte om anderen iets te leren. Om hem duidelijk te maken wie zij is, beschrijft zij tevens de levens van drie fictieve personen, een verbitterde oudere joodse man, classicus; zijn ex-vrouw, die zich niet kan losmaken van haar woede en verdriet om het lot van haar in de oorlog omgekomen familie en hun zoon, die in volkomen onwetendheid over zijn joods-zijn door zijn moeder is opgevoed en nu tegen wil en dank zijn brood verdient bij een tamelijk griezelige firma in informatie-technologie.

 

‘Ik was in 1991 al begonnen met deze roman, maar heb hem later ingrijpend herzien. Ik wilde oorspronkelijk alleen maar een verhaal vertellen over een vader, een moeder en een zoon. Het resultaat beviel mij niet, het is niet mijn vorm. De personages, eerst de vader, David Reiser, vervolgens de zoon en ten slotte de moeder, waren al ontstaan. Veel later ontdekte ik dat zij deelaspecten van mijzelf vertegen woordigden: David, de geassimileerde vader, het denken; Hester, de moeder, het voelen en het onverwerkte verleden; Guido/Gideon, de zoon, het willen, en het niet kunnen door het gekneveld zijn door de huidige cultuur. Pas in het laatste jaar heb ik de structuur aangebracht met de brieven aan de rabbijn. Die structuur veroorzaakte een effect dat ik heel mooi vind, maar dat voor mij net zo verrassend was als het voor de lezer misschien zal zijn: de dimensies van wat werkelijk is en wat imaginair schuiven door elkaar heen.’

 

Alledrie de personages sterven aan het einde van het boek, zonder de mogelijkheden die zij in zich hebben, te hebben verwezenlijkt. Dat deze mogelijkheden in principe heel groot waren, blijkt al in het eerste hoofdstuk, waarin van alledrie wordt verteld dat zij als tsaddikiem, rechtvaardigen die moeten helpen het menselijk lijden te verzachten, op aarde zijn gekomen. Niet alleen het verleden, maar ook het heden en de uitzichtloze toekomst blijken hen uiteindelijk te breken. Een somber wereldbeeld.

 

Tragedie

 

‘Het boek heeft zichzelf geschreven en het is een tragedie geworden. Ik denk inderdaad dat het leven bijna altijd een tragedie is. Ook als je veel doet, als je bijzondere dingen doet, doe je altijd maar een fractie van wat gekund had. Maar ik vind het leven niet alleen maar gruwelijk, het is ook mooi.

 

Mijn wereldbeeld is overigens multidimensioneel: de kosmos is, in mijn visie, gelaagd en wat je alledaagse bewustzijn waarneemt, is niet wat je met je hoogste bewustzijnsniveau kunt bevatten. De mens is, volgens mij, niet de hoogste top van de kosmos. Wij zijn beperkte, beschadigde wezens. Je gaat dat meer zien naarmate je ouder wordt, je ogen gaan meer open voor het kwaad in de wereld.

 

Ik ben nu op een leeftijd gekomen dat ik denk: dit is het. Wat mij betreft had er meer gekund. Ik had niet getraumatiseerd willen zijn door de oorlog; ik was knettergek tot ik een jaar of dertig was. Na mijn dertigste ben ik weliswaar keihard gaan werken, maar pas nu, na mijn zestigste, ben ik enigszins in harmonie met mijzelf. Ik besef met spijt dat ik in dit leven nooit meer een joodse geleerde zal kunnen worden. Het spijt mij ook dat ik mijn kinderen geen joodse opvoeding heb gegeven. Dat is achteraf niet meer goed te maken. Dat wordt in het boek uitge drukt door Hester, in de brieven die zij Gideon schrijft om hem te vertellen over zijn joodse achtergrond die zij tot dan toe voor hem geheim had gehouden.’

 

In De wereld is van glas herinnert Gideon, de zoon, zich iets van een voorgeboortelijke lichtwereld en zijn ‘val’ in deze wereld.

 

‘Ik zelf heb mij als kind heel lang herinnerd dat ik via een lichtbaan afdaalde in deze wereld. Voor mij is dat een reële herinnering, al is zij fletser geworden naarmate ik ouder werd en uiteindelijk niet meer dan een herinnering aan een herinnering, zoals bijna alles uit je kindertijd. In Scheveningen, waar ik opgroeide, waren de zomers vaak heel mooi en er waren schitterende witte villa’s; maar in mijn ervaring was het er toch tamelijk donker, vergeleken met wat ik mij herinnerde van het voorgeboortelijke bestaan.’

 

De rode draad in het werk van Andreas Burnier is haar (neo-)platonische en mystieke filosofie, de intellectuele weerspiegeling van het gevoel dat deze werkelijkheid niet de enige en zeker niet de beste is. Opmerke lijk genoeg is daarin ondanks haar onderdompe ling in het jodendom gedurende de afgelopen zeven jaar geen wezenlijke verandering opgetreden in vergelijking met bij voorbeeld haar debuut Een tevreden lach. Ook daar is al sprake van een discrepantie tussen de bovenwereldlijke oorsprong van de mens en het banale, teleurstellende alledaag se leven. De wereld is van glas bevat evenals haar eerdere literaire en essayistische werk, een grote dosis felle polemiek. Het kwaad dat daarin benoemd wordt, is net als vroeger vrouwenhaat, euthanasie, het westerse materialisme en de lelijkheid en kilte van de moderne wereld. Het enige echt in het oog springende verschil is, dat zij in haar vroegere werk dit levensgevoel uitdrukte via beelden die ontleend waren aan platonisme en oosterse religies. Wat heeft het jodendom werkelijk toegevoegd aan Burnier’s levensfilosofie?

 

Jasje

 

‘Het jodendom is voor mij het beste jasje om mijn ervaringen en ideeën in te verpakken. Maar het heeft mij niet gevormd toen ik jong was. De afgelopen jaren heb ik gemerkt dat het voor mij de ideale vorm is om mijn levensvisie in weer te geven. Dat zit hem in de rituelen, in de manier waarop de kennis is gestructureerd en in de ethische principes. Geen andere vorm die ik ooit heb leren kennen, komt daarbij zelfs maar in de buurt, vandaar ook het gevoel van herkenning, van thuiskomst. 
Ik heb uiteraard gezocht naar verwante geesten in het jodendom. Aangezien ik mij al eerder in mystieke stromingen had verdiept, ben ik, in mijn onwetendheid, meteen begonnen met de Kabbala, de joodse mystieke traditie. Maar dat kan niet. In het joden dom moet je bij het begin beginnen en je kennis stap voor stap opbouwen. Om niet ten onder te gaan in de mystiek moet je een stevige basiskennis hebben. Ik heb uiteindelijk twee grote geleerden gevonden, de Maharal (de zestiende-eeuwse Rabbi Loew van Praag, MR) en de achttiende-eeuwse Ramchal (Rabbi Mosjé Chaim Luzzato van Padua, MR), die gelukkig geen zwevers zijn, maar wel mystici. Zij verpakten hun ideeën in ethische en filosofische geschriften om acceptabel te zijn voor hun tijdgenoten.’

 

De rabbijn in De wereld is van glas is niet alleen de passieve ontvanger van de brieven van de ik-figuur. Hij neemt door zijn (althans veronderstelde) alwetendheid welhaast bovenmenselijk proporties aan. De ik-figuur schrikt dan ook als zij zich realiseert dat zij bezig is een afgod van hem te maken.

 

‘Hij is een de ene kant een soort golem, een door de ik-figuur bedachte constructie die hulp moet bieden. In die zin is hij net als de golem uit de legende iets negatiefs, iets gevaarlijks. Maar hij is ook de maggied uit de joodse traditie, een hemelse inspirator, die via de mond van de geïnspireerde spreekt. Zo’n maggied kun je natuurlijk ook zien als een aspect van jezelf, een stem in je boven- of onderbewuste, die je wijsheden verschaft waartoe je gewoonlijk geen toegang hebt.’

 

Het verhaal eindigt in Amerika, dat als een paradijs wordt beschreven.

 

‘Ik heb zelf veel rondgereisd in Amerika. Het is, buiten de grote steden, althans in sommige gebieden, een heel licht en ruim land. In Californië zijn uitgestrekte stukken ongerepte natuur; je hebt er de immense Grote Oceaan die vaak heel licht en groen is; er is de woestijn, als een grote, kosmische ruimte. Het is een wereld aan de grens van hoe je je de hemelse wereld voorstelt. In het boek is Californië in elk geval het symbool voor de lichtwereld. Daar gaan de personages ook dood, daar worden zij – zoals dat in joodse termen heet – opgenomen in de bundel van het eeuwige leven.’

 

 
Manja Ressler

(Dit artikel is oorspronkelijk – in een iets andere vorm – verschenen in het Nieuw Israelietisch Weekblad van 7 maart 1997)

 


Verantwoording  -  Copyright
Webdevelopment: Silicium interactief