Curiosa

Portretten van Andreas Burnier


Een fraaie karikatuur door Siegfried Woldhek van Andreas Burnier in haar boeddhistische fase.

Copyright Siegfried Woldhek

 

 

Deze liefdevolle karikatuur van Andreas Burnier door Paul van der Steen verscheen op de voorpagina van De Groene Amsterdammer in 1997.

 

 

Er kwam één verontwaardigde reactie op in de ingezonden brievenrubriek Grrr van de Groene Amsterdammer:

 

Burnier

12 maart 1997 – verschenen in nr.11

Op de cover van De Groene van 19 februari treffen we een spotprent van Paul van der Steen. Zijn object is mevrouw Prof. Dr. C.I. Dessaur, als auteur bekend onder het pseudoniem Andreas Burnier. In de spotprent wordt gebruik gemaakt van verschillende clichés ten aanzien van negatieve beeldvorming over vrouwelijke intellectuelen, joden en vrouwelijke homoseksuelen.

Het effect zit hem in de handige vermenging der clichés, waarmee aldus een uiterst cynisch toonbeeld is geschapen van de liberale geest die heden ten dage door onze onafhankelijke linkse journalistiek waait. Nu is De Groene natuurlijk méér dan alleen maar links en onafhankelijk. Ik bedoel: waarom zou je je als onwetende lezer, goj en nog vrouw óók, ongerust maken over een antisemitische en vrouwvijandige cover, als in diezelfde aflevering de scheidend hoofdredacteur, net thuis van zijn bedevaart naar Bachs Golgotha, druk doende is twee vermeende antisemieten (Bloem en Ter Braak) aan het kruis te spijkeren. Zonder erbarmen! En als in diezelfde aflevering ook Annemarie Grewel zèlf intiem en ontroerd met haar joodse kennissen in de weer is (Lopes Dias).

Juist als buitenstaander zie je wat zich hier afspeelt: Dessaur stáát er wel in, er worden aan haar maar liefst drie artikelen en zes pagina’s gewijd, maar Dessaur kòmt er niet in. Hoe goed zij ook haar best doet met haar Rabbi, ze mag niet meedoen. Drie schriftgeleerden hebben haar denkbeelden gewikt en gewogen, de afhandeling is zeer uitvoerig, maar het eindoordeel van de grijze baarden is helaas negatief. Bij De Groene is Dessaur – alweer – aan een verkeerd adres: ‘Hoe komt u aan de Davidster, mevrouw?’ De belhamel die de terechtstelling op de cover mag voltrekken toont ons, zelf van niets wetend, het identiteitsprobleem waarvoor Andreas Burnier ons onafhankelijke blaadje heeft gesteld.

Maarn, PROF. DR. ETTY MULDER

 

 

En daar reageerde Paul van der Steen weer op: 

Burnier (2) 

26 maart 1997 – verschenen in nr. 13

De redactie van De Groene vroeg mij een tijdje geleden een karikatuur te tekenen van mevrouw Andreas Burnier. U heeft het resultaat op de cover van 19 februari kunnen bewonderen. Of misschien vond u het lelijk, of helemaal niets. Allemaal best.

Nu vond prof. dr Etty Mulder iets heel anders. In een ingezonden brief meldde zij twee weken geleden dat de beelden rondom het portret clichés zijn ‘ten aanzien van negatieve beeldvorming over vrouwelijke intellectuelen, joden en vrouwelijke homoseksuelen’. Zij maakt zich ongerust over een ‘antisemitische en vrouwvijandige cover’. Ik fris de lezer nog even op, we hebben het hier over het karikaturale portret van mevrouw Burnier, gestoken in een voor haar karakteristiek mannenkostuum, met een davidster om de hals en staande op een roze driehoek, een beetje zoals het homomonument bij de Westerkerk in Amsterdam.

Wat een hoop lelijks krijg ik van professor Mulder om de oren. Mijn god, kan zij dat nog eens uitleggen? Het duizelt mij. Of nee, laat ik mijzelf verklaren: de elementen die ik gebruikte zijn universele symbolen van jodendom en homoseksualiteit, niet meer en niet minder. Ook al weet ik dat er diepe kwetsbaarheid en gekwetstheid achter de symbolen schuilgaan, ik gebruik ze als gewone illustraties, als verluchtiging, in karikaturale vorm. Dat is mijn vak, karikaturist. Daar ben ik soms een belhamel in, zoals mevrouw Mulder mij treffend toevoegt.

Maar wat ze mij voorts toevoegt, maakt me boos. Ze interpreteert namelijk de bedoeling achter mijn afbeelding, en veroordeelt aan de hand daarvan. Er bestaan veroordelingen op huidskleur, op ras, op sekse. Zij veroordeelt ook op uiterlijkheden, namelijk op mijn beeldvorm.

Daarenboven werkt de zware opeenstapeling van al haar lelijke woorden inflatoir: antihomo, antivrouw en antisemiet is te veel. Zoals bij de bekende gebochelde homoseksuele joodse neger met aids.

Men mag mij, of liever de redactie van De Groene die mij uitnodigde, toegrommen dat het geschreven portret van mevrouw Burnier niet met karikaturale beelden geïllustreerd dient te worden. Maar lukraak op uiterlijkheden afgaan en daarop veroordelen slaat nergens op. Prof. Mulder strijdt daar zelf tegen.

Amsterdam, PAUL VAN DER STEEN, illustrator 

 

Fragment uit Geheim dagboek van Hans Warren
Uit: Hans Warren, Geheim dagboek 1971-1972
Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1991

In dit fragment beschrijft Hans Warren zijn bezoek aan de promotie van Andreas Burnier in Leiden in 1971.

2 juli. – Om tien uur vertrokken Mabel en ik naar Leiden om de promotie van Andreas Burnier bij te wonen. In Leiden vlug iets vies gegeten in een snackbar, een platenbon gekocht voor de promovenda, in de Hortus gewandeld. Om kwart voor twee de promotie. Zeer warm, eivol en nogal saai. Haar kinderen ontmoet die helpen bij de receptie, lang gepraat met Nagel die zei dat hij mijn werk zeer waardeert. Ongeveer zes uur thuis. ’s Avonds mijn nieuwe platen met Balische gamelanmuziek en boeddhistische muziek uit Tibet en Nepal nog beluisterd.

EEN VREEMDE DAG

Een vreemde dag
Naar Leiden, om
Catharina Irma Dessaur geluk te wensen.
Een briljante promotie,
de senaatskamer een oven
en het nadrukkelijke hora est
een meer dan gewone bevrijding
van tussen al die geschilderde ogen
en de foundations of theory-formation
in criminology.
Bij de sherry meer met W.H. Nagel
gesproken dan met Catharina Irma, en hij
meer over mij dan over iets anders, daarna
de lege glazen aan Churchill toevertrouwd
en over de bloedhete wegen
vol doodgereden katten, egels, postduiven
weer naar Zeeland
waar opeens in het avonduur
onder druiveranken bij een rood dwaallicht
een balische gamelan opbloeide,
uren lang klopzang, zwevende gongs,
geknepen stemmen, omvlochten door
snerpende fluiten.

Toch noch een nachtbezoek
aan de godin Nehalennia, tronend tussen
haar fruitmand en haar windhond
onder een blauwe, huivende hemel,
crustaceeën gegeten, besproeid met Steinwijn
in Veere, een tocht langs de zee,
vol eeuwig leven en onrust, en daarna, 
hoe kan het, in ben nog uren gelezen
in ‘Coming up for air’, 31 jaar oud,
een vreemde dag, 2 juli 1971
of eigenlijk al lang de derde.

24 januari 1972
Grappig adreswijzigingsgformulier van Andreas Burnier die 1 februari aanstaande van Oegstgeest naar Berg en Dal verhuist. Als beroep vulde zij in: sometime Muze.

ARKTOS
In 1949 gaat Ronnie Dessaur studeren in Amsterdam en wordt lid van de AVSV, de Amsterdamse Vrouwelijke Studentenvereniging en het dispuut Arktos. Arktos (1917-1997) was in die tijd en ook later nog een onconventioneel dispuut. Het dispuut heeft een lange en vooral dwarse geschiedenis en wordt door Xandra Schutte (zelf Arkosiet) in een recensie over het boek Rebels binnen de regels. Het vrouwendispuut Arktos 1917-1997, in De Groene (26 februari 1997) omschreven als een gezelschap dames waarin intellectualiteit en losbandigheid, boeken en avontuur, diepzinnigheid en drank hand in hand gingen.
Geen wonder dat Ronnie zich aangetrokken voelde tot dit gezelschap van beschaafde en toch wilde dames. Maar zij is slechts kort lid geweest en de hierbij afgedrukte brief vertelt op nogal intellectualistische wijze wat haar ergerde. De werkelijkheid was echter een geheel andere en wordt beschreven in de biografie over Andreas Burnier (Elisabeth Lockhorn, Metselaar van de wereld):
‘Ronnie blijft niet lang lid van Arktos. Naar eigen zeggen omdat ze op een dag eerstejaars op de thee moest vragen en in paniek raakte omdat ze zich geen raad wist met dat ritueel. “Als lastige puber had ik mij niet verdiept in de ‘minderwaardige’ bezigheden van een huisvrouw, ik hield mij nooit met meisjesdingen bezig. Ik kon dus geen thee zetten en durfde niemand te vragen hoe dat moest. Toen heb ik dus mijn lidmaatschap opgezegd. Zo vreemd en gestoord was ik in die tijd.”’

De hierbij afgedrukte afbeeldingen (brief en tekeningen) komen uit het archief van Arktos dat is ondergebracht in Atria, Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis te Amsterdam.

Brief Ronnie Dessaur

Brief Ronnie Dessaur aan A.R.K.T.O.S.

Amsterdam, 22 mei 1950

Beste René,

In tegenstelling tot de in de A.V.S.V en zeker ook in A.R.K.T.O.S. heersende opvatting dat een lid, en een eerstejaars lid in het bijzonder, een willig, liefst bij voortduring ter beschikking staand instrument dient te zijn, met de dure plicht de collectiviteit der mede-(dispuuts)leden binnen het verenigingsbestek zo goed mogelijk te dienen en naar buiten zo goed mogelijk te vertegenwoordigen, ben ik van mening dat er voor een mens – en dus zelfs voor een eerstejaars corpsstudent – geen groter en waardevoller bezit bestaat dan de vrijheid van handelen en van denken. Daar zij uiteraard niet bij machte zijn de tweede vorm van vrijheid te beknotten zijn de A.V.S.V en haar disputen in de gelegenheid zich met onverdeelde energie aan het beperken van de vrijheid van handelen te wijden. Dat zij in deze bezigheid doorgaans wonderwel plegen te slagen strekt sedert enige tijd zeer tot mijn ongerief en misnoegen, terwijl bovendien de hierboven geschetste controverse het mij  j.l. Vrijdag onmogelijk maakte, –  om redenen zowel van morele als formele aard – de Arktosieten te ontvangen.

In de overtuiging dat je het bovenstaande als ‘typisch en – eerstejaars geraaskal’ schielijk naar de prullenmand zult verwijzen, verblijf ik,

je afvallige vazal,

Ronnie

(Aantekening ontvanger:)

Neen hoor

                 bewaren!




Verantwoording  -  Copyright  -  Privacy
Webdevelopment: Silicium interactief