Voor de val van de muur (2)

In 1986 schrijft Burnier een brief aan Chris Rutenfrans over een bezoek aan Berlijn dat toen nog was verdeeld in West- en Oost-Berlijn.

Brief uit Berlijn

Berlin, zondag 11 mei 1986 

Hotel Savoy, Fasanenstr.

Beste Chris,

Na het familiebezoek bij mijn zoon in Hamburg (mijn kleindochter Elianne is nu al zes jaar, mijn kleinzoon Joann twee jaar oud!) reisde ik even door naar Berlijn. Van Hamburg is het, via Büchen, vier uur per trein, grotendeels door de DDR. De normale reis van en naar Nederland gaat over Hannover en Helmstedt (grens).

De reis vanuit Hamburg voert door een nogal neutraal noord- duits* boerenlandschap. Dat het grotendeels de DDR is, valt nauwelijks op. Ik zat alleen in mijn eersteklas-coupé. Doordat de trein om half acht’s ochtends vertrok, had ik erg kort geslapen en was een beetje vaag. Plotseling voelde ik mij lichter en opgewekter worden en begon zomaar een beetje te zingen. Ik keek uit het raam en wat bleek: wij waren net weer de DDR-grens gepasseerd en in Westberlijns gebied! Dit bevestigde natuurlijk a. mijn gevoeligheid voor ‘bodem’ en ‘geistiges Klima en b. jouw en mijn vooroordelen. Maar ik wil je ook vertellen over mijn bezoek aan Ost-Berlin hedenmiddag, per toeristenbus, dat alle vooroordelen deed wankelen.

Gistermiddag (zaterdag) heb ik na aankomst en het moeizame zoeken naar een hotel, te voet West-Berlin verkend. Alles was vol, vanwege het Hemelvaart-weekend en vermoeid sleepte ik met mijn koffer en schoudertas vol boeken van het ene naar het (steeds duurdere) volgende hotel. Ik belandde in wat vroeger, voor de Eerste Wereldoorlog (?), een pleisterplaats moet zijn geweest voor Russen op weg naar de Rivièra: het zeer comfortabele en tamelijk ouderwetse Savoy-hotel, een van de zeer schaarse, niet-weggebombardeerde oude hotels. De meeste Berlijnse hotels zijn nu van beton, staal en elektronika: geëgaliseerde pseudo-chic en in elk geval heel duur. Het alternatief zijn al te sobere pensions, waar je wel heel erg in de muffe en zure duitse burgermanssfeer wordt betrokken. Ik bofte dus (voor veel geld). Maar aan de pensiongeuren van sigaren rokende duitse mannen van 

60 +, of sponzige, poeslieve (maar keiharde) duitse dames, die nog geheel van streek raken als zij terugdenken aan de ellende van de ‘Zusammensturz’, wil ik mijzelve toch maar liever niet blootstellen. 

Door de zaterdagmiddagwandeling voelde ik mij in het centrum van West-Berlin (dat in feite niet het centrum van de gehele stad omvat) snel georiënteerd. Bijna alles ging plat in de laatste weken voor de bevrijding, doordat de nazi’s waanzinnig bleven doorvechten, ook toen hun nederlaag al lang vaststond. Zo kwamen nog eens duizenden mensen om en verloor circa een derde van de toenmalige bevolking haar huis. De huidige stad (twee miljoen inwoners) lijkt derhalve op een kruising van New York en Rotterdam, met hier en daar een oude rest of een lege gevel, zoals de buitenmuren van de toren van de Gedächtniskirche. Maar net als vroeger is er heel veel groen, in de vorm van bomen. (Bij voorbeeld op de tamelijk lieflijke Savigny-Platz, vanwaar ik je in een soort wijncafé, ‘In den Bogen’, dat wil zeggen onder de bogen van de spoorbaan, zit te schrijven.) En er is heel veel water: de Havel en de Spree (als een soort Hudson en East River) en een aantal grote meren. Verder in de binnenstad veel beton; hedendaagse prots in overvette winkels; hoge prijzen (alles komt, moeizaam, van ver op dit ‘eiland’ in de DDR). De stad bestaat voor ongewoon hoge percentages uit bejaarden (meer dan 25%!) en jongeren, dus de belastingen zullen wel hoog zijn vanwege de sociale lasten. Voorts zie je op en rond de Kurfürstendamm nogal wat zwervers, hoerenjongens, uitpuilende café’s met bier en worst, ijs en taart, en deze zaterdag ook veel oproerpolitie met schild en helm en talloze overvalwagens, ter beteugeling van ergens tegen protesterende jongeren.

Vanwege de wat gespannen zaterdagavondsfeer, de regen en mijn grote vermoeidheid ging ik heel vroeg terug naar het hotel. Overigens nadat ik op straat, bij de Zoo, was gepasseerd door twee meisjes, die ‘Kijk, daar heb je Andreas Burnier’ zeiden. Vanwege hun brutale, aanmatigende toon, vond ik dit niet prettig, deed alsof ik niets hoorde en liep door. Nergens rust. Vandaag, zondag, maakte ik twee toeristische bustochten met ‘Severin und Kuhn’: ’s ochtends door West-Berlin, van 10 tot 1uur, met bezoek aan de Muur en het Egyptische Museum bij Slot Charlottenburg en ’s middags, van 2 tot 6 uur, naar ‘Berlin’ (voor- al niet Ost-Berlin zeggen in de DDR en ook niet Ost-Deutschland!), met bezoek aan een uitspanning aan de Spree, het Treptowerpark (79 ha; met Sovjet-gedenktekens) en het Pergamonmuseum (o.a. Babylonische en Grieks-Romeinse afdelingen). Zo’n expeditie per dubbeldekker-toeristenbus is helemaal niet gek als je geen auto hebt. Je ziet het totaalbeeld van de stad, althans globaal, je ervaart de sfeer van diverse wijken en je komt ook op afgelegen plekken, die anders niet of nauwelijks bereikbaar zijn. Van West-Berlin vind ik de wijk Charlottenburg het fraaiste: upper middle-class, maar niet per se saai. Verder is de Havel (de westelijke rivier) indrukwekkend, met jachthavens, buitenhuizen en ouderwetse uitspanningen aan de rivieroever en het gigantische bos ‘Tiergarten’ vlakbij. Voor het overige was er, afgezien van de Wannsee met Pfaueninsel, Slot Charlottenburg met diverse musea en de enorme Zoo in een prachtig park, weinig dat tot nadere kennismaking noodt.

Onze vrouwelijke gids in West-Berlin was kundig, maar deed dramatisch over de - inderdaad zeer lelijke en onmenselijke - Muur, die geheel West-Berlin omringt. De 145 km muur is geloof

ik in één nacht door de Sovjets opgetrokken om een einde te maken aan de vluchtelingenstroom. Aan de westelijke zijde zijn er gedenkkruizen voor de, al dan niet naamloze, gevallen vluchte- lingen. Zij deed voorts poeslief over de Franse, Britse en vooral Amerikaanse bezettingstroepen (nog altijd zo’n twaalfduizend man, maar je ziet hen niet, want zij dragen meestal burgerkleding) en bleef vaag over de nazi’s en de oorlog. Bij voorbeeld: bij het beruchte Reichstag-gebouw, waarvoor de massa’s stonden te juichen als Hitler sprak, was de strekking van haar suggestieve betoog in feite, dat een zootje stommelingen de duitsers indertijd had geknecht, dat de duitsers daar zelf, met name in Berlijn, ook vreselijk onder hadden geleden en dat verder nu alles o.k. was. (Bij een gedenkplaat elders, over de concentratiekampen, zweeg zij.)

Voor het vertrek naar Ost-Berlin’s middags, werd ons door de westelijke chauffeur nog eens ingescherpt, op barse toon, aan wat voor gevaarlijke en onaangename excursie wij eigenlijk begon- nen. Je mocht geen kranten bij je hebben; je moest je pas opengeslagen bij de foto tonen en, ongevraagd, je passagiersnummer in de bus tegen de DDR-douane afroepen; je moest vooral hem, de westelijke chauffeur, niets vragen als wij eenmaal over de grens waren en je uitsluitend tot de DDR-gids richten die dan op de bus zou komen; je mocht absoluut niet fotograferen bij de grens en alles werd daar geregistreerd op videocamera’s.

Ik kreeg natuurlijk razende spijt dat ik was ingestapt. Bovendien had ik enige boeken bij mij, waaronder Klaus Mann (homo) en Heine (joods). Ik vreesde de grootste onaangenaamheden. Welnu, bij de grens gaat het inderdaad wat krampachtig toe. Bij voorbeeld moet de bus, met een maximumsnelheid van tien km/uur, een soort slingerweg volgen, zodat hard wegrijden onmogelijk is. En de DDR-douane telt bij heen- en terugreis de passagiers en kijkt of de pasfoto klopt. Maar vervolgens kregen wij een Oostberlijnse man van circa veertig jaar als gids, die veel opener, aardiger en intelligenter was en vooral minder zuur dan de BRD-moffen die ik tot dusver had ontmoet. Bovendien heeft Ost- Berlin (daar was vroeger het intellectuele en culturele centrum) veel meer de sfeer van vroeger bewaard, al is ook daar veel weg. De oude stadskern, de fameuze Humboldt-universiteit en het Musee-Insel liggen in Oost, evenals weer grote parken en nogmaals de Spree. Door het geringere verkeer, de vriendelijkere mensen en een onbenoembaar betere atmosfeer, voel je daar pas het Berlijn van vroeger, en er is iets positiefs en menselijks wat in West- Berlin nu ontbreekt. Ik voelde mij in Ost-Berlin intellectueel en creatief gestimuleerd door de sfeer van circa 1950: een beginnende welvaart, een soort soberheid, maar met genoeg café’s, boekhandels, terrassen, musea, theaters, etcetera. Beslist niet de somberte, leegheid of dreiging die ik in Leningrad en Moskou heb gevoeld vorig jaar. Het reisverslag dat ik daarover schreef sluit ik hierbij in. De DDR-gids sprak ook herhaaldelijk over de jodenvervolgingen en over de nazi-gruwelen in het algemeen, op een manier die in West-Duitsland, met al zijn weer vooraanstaande ex-nazi’s, kennelijk taboe is.

Ik ging vol vooroordelen naar Ost-Berlin, maar eenmaal daar begreep ik toch dat Brecht er vrijwillig is blijven werken, evenals een joodse professor die ik een paar jaar geleden op een PEN- congres in Finland ontmoette, en ook dat Willem Nagel het er prettig vond, vergeleken bij het westen met zijn rellen, drugs, criminaliteit, massale hoererij en sex-industrie, decadentie, protsige lamlendigheid, verdringing van het nazi-verleden en beruchte nazi-schoften weer aan de top.

Nu is Ost-Berlin anders dan de DDR, de DDR welvarender dan het overige oostblok en alle satellietlanden anders dan de Sovjet- Unie zelf. Maar toch. Onder het DDR-staatssocialisme is er, heel beperkte, kleine handel mogelijk (winkels-op-de-hoek). In alle basisbehoeften wordt door enorme staatssubsidies voorzien. Huren, inclusief blokverwarming, tot circa 4% van je inkomen, met een maximum van ongeveer 120 M. Openbaar vervoer: 20 Pfennig. Melk, brood, vlees en dergelijke, spotgoedkoop. Daar tegenover zijn luxe(re) artikelen, zoals auto’s, kleurentelevisies, elegante kleding, peperduur (zwaar belast), zeker gegeven de beperkte inkomens. Een goedkope, kleine, Oosteuropese auto kost een jaarsalaris (ca. 20.000 M.). Boeken, theaters en sportbeoefening zijn daarentegen weer ongelooflijk goedkoop, omdat ontwikkeling, cultuur en sport tot de basisbehoeften worden gerekend. Voor vrouwen is de situatie, relatief, erg goed: strikt gelijke sa- larissen, grote carrièremogelijkheden en zeer goede verlofregelingen na de geboorte van een kind, plus kinderopvang.

Waarschijnlijk zouden mensen zoals jij of ik zulke condities heel prettig vinden als wij daarin waren opgegroeid. Je hebt geen zorgen over werkloosheid; de basisvoorzieningen zijn veilig gesteld; je kunt veel sparen want er is relatief weinig te koop wat de begeerten aanwakkert; de staat probeert geweld en harde porno uit de media te bannen en bestrijdt serieus drugs en criminaliteit. Je hebt dus alle energie en tijd vrij voor je werk en hoeft niet zo angstig te zijn (voor de economische ontwikkelingen; voor je medemensen) als in het westen. Daar staat tegenover dat wat je met die vrijgekomen energie zou kunnen doen: bij voorbeeld boeken schrijven, openlijk spiritueel actief zijn, misschien niet zou worden getolereerd.

Eigenlijk is het communistische systeem in de vorm van staatssocialisme zoiets als een gigantisch klooster, waar dan veel afhangt van welke abt je treft en van de inspectie vanuit Rome.

Stel dat er een communisme zou bestaan zonder bureaucratic, zonder fysieke terreur en met geestelijke vrijheid. (Waarom dit - nog - niet kan, zal ik zo meteen zeggen.) Dan zouden de

mensen in ‘fase 1’ het goed hebben en de mensen in ‘fase 3’ zouden uiterst tevreden kunnen zijn over de materiele en sociale rechtvaardigheid van het systeem. Met de voor henzelf vrijgekomen energie zouden zij zich kunnen richten op voor hen essentiele zaken.

Maar voor de mensen in ‘fase 2’ (veruit de meesten, tweeduizend jaar na Christus en in elk geval haast iedereen tussen de veertien en veertig jaar) is het een ramp. De noodzaak een krachtig ego te ontwikkelen, zou zijn vervallen. Verantwoordelijkheid voor jezelf en je naasten, moed, risico’s durven nemen, je nek uitsteken en je exponeren, moeizaam en onder offers ergens naar toewerken: al die dingen worden je ontnomen. Het socialisme/communisme is derhalve zowel ‘lager’ als ‘hoger’ dan het liberalisme/kapitalisme. Voor mensen in ‘fase 1’ is het een natuurlijke levensvorm: beschermend, rechtvaardig, menswaardig. Voor mensen in ‘fase 2’ is het een pathologische regressie, of een illusoir vooruitgrijpen naar iets wat zij zonder enorme dwang en terreur (nog) niet kunnen verwezenlijken. 

Voor de mensheid in ‘fase 3’ is het de enige denkbare samenlevingsvorm: altruïstisch, rechtvaardig, met alle energie beschikbaar voor intellectuele, kunstzinnige en spirituele activiteit/creativiteit.

Het westelijk systeem sluit daarentegen wel prima bij ‘fase 2’ aan: knokken voor jezelf tegen alle anderen; materiële welvaart, aanzien en macht voor enkelen, ten koste van vrouwen, zwakkeren of pechvogels. In de Verenigde Staten en in de BRD is dat overigens evidenter, want extremer, dan in Nederland. Maar de keerzijde van ons systeem is toch ook de zielloze, verzuurde, dof- materialistische mentaliteit; de criminaliteit en de drugs; de universele muzak-terreur; de (harde) porno-industrie; voetbalgeweld; vandalisme; de bereidheid tot exploitatie en onderdrukking van zwakkeren.

Ik denk overigens dat in het verder onbelangrijke Nederland de lelijkste kanten van communisme en kapitalisme worden gecombineerd, zoals ik ook al schreef in mijn pracht-editorial voor Delict

en Delinquent, over de daar nu heersende zucht tot medisch doden, al dan niet op verzoek.

Sinds ik in West- en Oost-Berlijn als het ware in technicolor en driedimensionaal voor mij heb gezien een (verdrongen) nazimentaliteit x grof kapitalisme x decadentie, tegenover commu- nistische terreur x pogingen tot socialisme x (nog) integer leven, heb ik dus, zoals je ziet, iets genuanceerdere ideeën gekregen over de twee kwaden, die zich in deze gespleten stad zo schrijnend manifesteren en waartussen de mensheid lijkt te moeten kiezen, tenzij zij een lelijke derde weg wenst te gaan, zoals in Nederland. De positieve derde weg is tot heden nog nergens te vinden en ook niet realiseerbaar, vrees ik, zolang de mensheid zich nog overwegend in ‘fase 2’  bevindt. Voor de huidige mensheid is het nog steeds te vroeg.

Chris, dit is een onbeschaamd (duits!) lange brief geworden. Mijn tweede onderwerp: wat mij zo fascineert in Klaus Mann, die toch maar een second-rate auteur is, bewaar ik voor een volgende keer. (Schrijf mij eerst maar eens terug.)

Met second-rate bedoel ik in dit verband overigens 'minor great' of ‘great minor’ writer. Zoiets als Christopher Isherwood, Jean Cocteau of Stefan Zweig. Daar boven komen de groten: Thomas

Mann, Balzac, Hugo, Zola, Dostojevsky, Tolstoi, Gogol, cum suis. En daar boven de genieën: Homerus, Dante, Shakespeare, Goethe, Plato.

Tot spoedig. Met hartelijke groet, Andreas

DE LANGSTE REIS (1985)

Een week in de Russische Hades

De roltrappen van de metro van Leningrad zijn uitzonderlijk lang en steil. Terwijl je minutenlang naar beneden wordt gevoerd, zie je de parallelle stroom van de voor jou iets scheefhangende men- sen die opstijgen. En omgekeerd: als je, wederom langdurig, opstijgt, glijdt een lange, lange stroom parallel met jou de diepte in.

De gezichten van de mensen zijn gesloten en treurig. Als een priester die net de communiehandelingen met brood en wijn heeft verricht, zou ik bij ieder twee vingers van mijn rechterhand op hun slaap of voorhoofd willen leggen en zeggen: ‘Vrede zij met u. Vrede zij met u. Vrede zij met u. Vrede zij met u. Vrede zij met u.’

Ik zeg het, innerlijk, en hoop dat enkelen onder hen even iets zullen voelen: een lichtsteekje in hun hart, een vonkslag achter hun neuswortel, die hen voor een moment bevrijdt en voor een seconde verlicht.

Leningrad, voorheen Sint-Petersburg, dat is gestold verdriet. Een dodenrijk zonder uitgang. Lange, rechte straten die naar wijde pleinen leiden die weer op lange straten uitkomen. Er zijn bijna geen mensen op straat, er ligt geen propje papier, geen vuiltje, er zijn geen winkels, kraampjes of café’s. Leegte, dood, verdriet. Om iets te eten te krijgen, moet je altijd langdurig onderweg zijn en vervolgens langdurig in een rij staan. Ten slotte mag je, groepsgewijs, naar binnen, een morsig, grauw lokaal in waar zich een nieuwe rij vormt. Achter kleine, vettige loketten en onder het toeziend oog van een snauwende staatsserveerster worden, tegen geringe bedragen, koolsoep en komkommer in zure saus uitgereikt. Gedoken in hun overjassen slokken de mensen het voedsel naar binnen aan vieze tafels, soppend in bier. Het bestek is van blik. Messen ontbreken en dat is misschien maar goed ook.

Leningrad

In de lege stad, kil en noordelijk, al eind mei gaat de zon nauwelijks onder, zijn er samenballingen van mensen in de ondergrondse. De metrotreinen sluiten bij het rijden niet alleen hun

deuren, maar de hele tunnel waarin zij rijden wordt gesloten. Achter de metrodeur gaat ook nog een ijzeren deur dicht op de perrons, zodat je wordt vervoerd in een uitzichtloze koker van steen en ijzer, hermetisch afgesloten. Niemand kan uit de trein springen, niemand kan zich er voor werpen. De heersers van het sovjetrijk van de dood bepalen de tocht door de Tartarus van hun onderdanen. De grenzen van dit wereldrijk zijn definitief voor hen gesloten. Daarbinnen heb je binnenlandse visa nodig om je van hier naar daar te mogen verplaatsen. Binnen een stad heerst totale controle door leger, politie en hulppolitie. De laatste bestaat uit kwaadaardige en gevaarlijke, circa zestienjarige jongens, met opsporings- en arrestatiebevoegdheden. Dan zijn er nog de geheime politie en de burgerverklikkers. En in de diepste Tartarus is er het systeem van de metrotunnels met daarbinnen de kokers van steen en ijzer waardoor de treinen rijden.

Nog een samenballing van mensen is er op Nevski Prospekt, de lange, lange hoofdstraat van de door tsaar Peter de Grote in een moeras geconstrueerde nieuwe hoofdstad voor zijn tsarenrijk. Hier zijn twee of drie iets betere, peperdure café’s en restaurants voor de sovjetelite en de enkele toeristen die voldoende Russisch kennen om uit hun groep te durven en kunnen breken.

In het ‘Literatuurcafé’ waar vroeger, in de negentiende eeuw, de grote schrijvers kwamen, zijn voor zeer veel roebels enkele kleine hapjes en goede Georgische wijn te krijgen, nadat je ca. acht gulden entree hebt betaald. De gasten zien er burgerlijk netjes uit. Een mevrouw vertelt iets, in het Russisch, over de geschiedenis van het café en over het concert, piano met zang, dat hier deze avond wordt gegeven. Wij raken in gesprek met een vrouwelijke hoogleraar in de biologie, ruim vijftig jaar, en haar jeugdige assistente. Dank zij de wijn en een intuïtief wederzijds vertrouwen ontstaat een gesprek. Beiden hunkeren naar de vrijheid. Zij kunnen niet of met de grootste moeite aan boeken, artikelen en materialen komen die zij voor hun vak nodig hebben. Hun artikelen worden niet in Russische tijdschriften gepubliceerd, of pas zeven jaar na aanbieding, als het wetenschappelijk zinloos is. Uitnodigingen tot deelname aan congressen in het buitenland, zelfs in de oostblok-koloniën van de Sovjet-Unie, mogen zij niet aanvaarden. Zij krijgen geen visum. Toch zijn zij geen dissidenten. Zij zijn academici, partijlid, geparenteerd aan de machtige sovjetelite met al haar relatieve privileges.

Iedere zomer zijn zij, zoals alle intellectuelen, verplicht een maand in een collectieve fabriek te werken. De hoogleraar moest de afgelopen zomer aardappels sorteren in goede en slechte. Alle aardappels waren zeer slecht. De hoogleraar had de moed de staatsopzichter te vragen hoe zij louter slechte aardappels in goede en slechte moest scheiden. Hij snauwde haar toe: ‘Bek houden en doen wat je gezegd wordt.’

Zij woont met haar volwassen dochter en kleinzoon in een tweekamerflatje. Haar assistente woont alleen en ruimer in een flat die een eigen telefoon heeft en een functionerende warmwatervoorziening, dank zij een gasgeiser. (De collectieve stadsverwarming laat het altijd afweten.) Voor die luxe betaalt zij het dubbele van een goed Russisch maandsalaris, maar haar ouders zijn vermogend.

In de leerboeken der economie wordt vaak beweerd dat er, globaal, twee economische systemen bestaan in de westerse wereld: de liberale, neokapitalistische en de centraal geleide socialistische. Op papier zien beide systemen er als mogelijkheden uit. De werkelijkheid is, gegeven de menselijke aard, dat er maar één economie is: die van het marktmechanisme van vraag en aanbod en van de al dan niet koopkrachtige vraag. In de lege, grauwe Russische staatswinkels staat de massa der staatsarbeiders in lange rijen voor lege vitrines. Het weinige dat er is, is van slechte kwalileit, lelijk, duur of alle drie. Koopjes en kwaliteit zijn alleen te vinden via relaties en in het immense ‘tweede circuit’, zoals het hier heet. Maar ook de relatief geprivilegieerde hoogleraar moet dagelijks drie à vier uur besteden aan het zoeken naar eten en aan het in de rij staan voor voedsel.

De illusoire socialistische economie leidt tot verspilling en stagnatie: voedsel verrot op de velden of in de fabrieken, gaat verloren in treinen die door de omslachtige bureaucratie en de angst der ambtenaren niet op tijd kunnen rijden. Alle bezwaren die je terecht kunt hebben tegen de overdaad van onze consumptiemaatschappij, de overvloed aan winkels en artikelen, de overweldigende keuzemogelijkheden, zelfs nog voor de minder bedeelden, verdampen in het zwavellicht van de socialistische hel.

Bezoek aan een orthodox-Russische kerk is zo ongeveer de enige vorm van geestelijk verzet die hier nog net mogelijk is. Desondanks is het jonge mensen niet aan te raden. De priesters zijn nu

relatief goed betaalde staatsambtenaren, wier loyaliteit met het regime men aldus heeft gekocht. De in hoofdzaak oude vrouwen en enkele oude mannen wonen staande de dienst bij. Ondertussen lopen controlerende ambtenaren rond, die erop letten wie er komt en hoe vaak. Jongeren zou kerkbezoek zeker opbreken bij hun academische studie of hun carrière. Men kan iemand - zoals te allen tijde met overtuigd joodse intellectuelen gebeurt - voor haar of zijn examens laten zakken, overplaatsen naar een minder aangename baan of in het ergste geval ontslaan. (De sociale voorzieningen en de pensioenen zijn erbarmelijk.)

In de kathedraal die ik met mijn vrienden bezoek, valt de primitieve, bijgelovige devotie van de boerse Russische vrouwtjes op; het haast negentiende-eeuwse tafereel. Tussen hen door loopt een gigantische, stompzinnige bruut, met het postuur, de blik, de uitstraling van een psychopatische wurger. Hij ziet toe wie er komt en gaat en bewaakt de socialistische staatsorde.

De criminaliteit in Leningrad neemt toe, van openbare vechtpartijen, consumptie van chemisch vervaardigde drugs, zakkenrollen, diefstal en beroving tot aanranding. Maar het is een misdrijf daarover te praten. Het enige probleem dat officieel nog in de socialistische heilstaat voorkomt is alcoholisme. De mensen zuipen zich letterlijk kapot. Wie dronken op het werk komt, wordt de maag leeggepompt. Vervolgens krijgt hij of zij een koude douche. De naam wordt aangeslagen op een schandbord. Als het te vaak gebeurt, volgt ontslag. En dat betekent praktisch creperen.

Ik bezoek met mijn vrienden de contra-kathedraal, Ahrimans tempel, het Museum van het Atheïsme en de religie. In een voormalige kathedraal hangen gruwelbeelden en spotprenten over de kerkgodsdiensten. Er is wat elementaire encyclopedische informatie (alleen in het Russisch) over de oude religies van Egypte, Judea, Griekenland, en over het vroege Christendom. In het Al- lerheiligste staat een beeld van de god van het communistische atheïsme, de massamoordenaar Lenin.

Het grote gebouw lijkt vervuld van een zwart licht, een koude haat zonder enig vuur. Verveelde meutes Russische toeristen voor wie een bezoek aan het Musem van het Atheïsme en de religie vaak een verplicht onderdeel van hun reisje is (zoals een bezoek aan het Mausoleum van Lenin in Moskou) slepen zich rond. Tussen de lusteloze massa zie ik ineens, alleen, een jongen van (een jaar of tien, haast meisjesachtig knap, blond, met een autonome en toch zachtmoedige uitstraling. Hij is gekleed in een chic blauw uniformpje van de Pioniers (verplicht voor schooljongens), een rood shawltje om de nek. Misschien komen de verlossers, als zij ooit komen, straks uit het hart van de Partij zelf. Een andere weg naar bevrijding is praktisch onmogelijk. Ik wissel blikken met de jongen en zie hem als een engel die zich even incarneert in dcze zwarte wereld: een offer aan de mensheid.

Is er hoop? De toeristen uit het vrije westen, ondergebracht in betonnen staatsbarakken van tweeduizend bedden minimaal (Russen mogen er niet in, omdat drank en voedsel er relatief goed en ovcrvloedig zijn en omdat contact met buitenlanders doelbewust wordt geminimaliseerd), zijn over het algemeen content met hun uitje, de stadsrondrit onder leiding van Intourist, het bezoek aan de praal van de musea, de theatervoorstellingen, de souvenirs uit de alleen voor niet-ingezetenen toegankelijke staatswinkels en de liters Russische ‘champagne’ en wodka die zij in hun toeristenget- to’s kunnen wegslokken. De universele muzak en de dreunend luide muziekbands verdoven hen. De afwezigheid van kranten, de absurde schaarste aan boeken (er is op dit moment in de Sovjet- Unie geen enkel boek van Dostojevski in welke taal dan ook te koop; toch is hij niet in de ban) valt hun niet op. De champagnekurken knallen en dronken toeristengelal en gelach weerklinkt in een gevangenis ter grootte van de helft van Europa en een derde van Azië, waarin tweehonderdzeventig miljoen mensen worden geterroriseerd en geknecht door een handvol machtige mannen. 

De kerkhofcultuur van het socialisme (versus de junglecultuur van het kapitalisme) zal nooit van buitenaf kunnen worden verlost. Het robotiseren van zeer angstig gemaakte mensen wordt hier systematisch nagestreefd. Het anti-esthetische, het lelijke, is tot ideaal verheven. Het amorele wordt vereerd in de persoon van de alom in beelden, portretten en plakkaten aanwezige Lenin en gepraktiseerd in de dagelijkse terreur van de staat jegens zijn burgers. Voor deze demonie heeft de dominante cultuur van het vrije westen niet voldoende tegenkrachten in huis. Het is alsof er een eindige hoeveelheid kwaad in de wereld aanwezig is, die zich alleen maar kan verplaatsen en die zich zo nodig in verschillende gedaanten zal voordoen. Tegenover de staatsterreur en de dodelijke Russische apathie staat de immense westerse agressie van de ‘vrije’ mensen tegen elkaar. Tegenover hun armoede, ons laveloze gebral, ons gezwelg in verstrooiing, amusement en drugs. Tegenover de door hen gecultiveerde lelijkheid (schoonheid werkt bevrijdend), onze smakeloze en zielloze overdaad. Tegenover hun wreedheid, onze ongevoeligheid voor andermans leed. Het verschil is dat wij, in zaken van de buitenwereld, zouden kunnen kiezen en zij niet. Hun is ieder initiatief ontnomen en iedere poging daartoe wordt genadeloos afgestraft. Maar innerlijk zijn wij even ziek als, of nog zieker dan zij. Alleen de pathologische symptomen verschillen, gegeven de andere uiterlijke mogelijkheden. Natuurlijk is het vrije westen een paradijs, ondanks alle vreselijke problemen, vergeleken bij de aan de dood gewijde cultuur van het socialisme. Wij kunnen kiezen en falen, voor zover wij de vrijheid die wij hebben niet aan kunnen en niet weten te gebruiken. Zij krijgen zelfs niet de kans tot het falen in de vrijheid.

De mensen in het vrije westen die coquetteren met het communisme, alsof dat ook wel een menswaardige samenleving zou kunnen opleveren, zijn van een lugubere domheid en moedwillige ongeïnformeerdheid. Communisme/socialisme op papier en in de politieke propaganda is fraaie illusie en schone schijn. In de realiteit, ongeacht of het de Sovjet-Unie, Cuba, China, Albanië of so- cialistische ontwikkelingslanden in Azië en Afrika betreft, betekent het altijd dictatuur en de cultus van robotisering en dood. In het steeds kleiner wordende vrije deel van de wereld heersen anderzijds onderling geweld, liefdeloosheid, totaal egoïsme, uitbuiting, anarchie en geestelijke blindheid. Alleen: in het westen kan dit nog worden gezegd en zou men er nog iets aan kunnen doen.

Het handjevol kerkgangers in de Sovjet-Unie, of zij nu orthodox-christelijk zijn of joods, zijn regressief. Zij klampen zich vast aan oude vormen en inhouden die de zwarte deklaag over het

grootste land ter wereld niet zullen kunnen doorbreken. De consumptie- en verstrooiingszombies in het westen, de gedrogeerde agressievelingen, zijn progressief. Zij storten zich, vrijwillig, hals over kop vanaf de andere zijde in de Tartarus van het uitgedoofde bewustzijn.

Maar wie zal de kracht hebben bij vol bewustzijn te zien wat er over de aarde trekt en bij te dragen aan de hergeboorte van het licht? Moeder Teresa, dr. Elisabeth Kübler-Ross, de jongen in het Pioniersuniform in de tempel van het atheïsme, wie begrijpt nog wat zij doen en wie staat hen bij?

Moskou

Als dit geen socialistisch land was, zou Moskou een van de aardigste en fraaiste hoofdsteden ter wereld kunnen zijn. Nu ligt er, ondanks het vele groen, de aanmerkelijk levendiger atmosfeer dan in Leningrad, waar de tijd geheel stilstaat, een zware druk op de stad, die het sterkste is te voelen op het Rode Plein, bij het Kremlin. Het Kremlin is, behalve een complex regeringsgebouwen dat associaties oproept met het Vaticaan, een verzameling kathedralen, voor een deel nu als museum te bezichtigen.

Op het Rode Plein, aan de voet van het Kremlin, tegen de muur, werd meteen na zijn dood in 1924 een houten mausoleum voor het gebalsemde lijk van Lenin gebouwd. In 1930 werd het huidige mausoleum van donkerrood en zwart graniet vervaardigd. Het dient tevens als eretribune voor de Opperste Sovjet. Vanaf dit graf spreken de leiders het volk toe.

De toegang tot het mausoleum dat duizenden Russen en toeristen, al dan niet verplicht, dagelijks bezoeken, wordt bewaakt door twee onbeweeglijke militairen, het geweer met bajonet in de aanslag. Op ieder vol uur wordt de erewacht voor de dood afgelost Precies twee minuten en vijfenveertig seconden voordat de klok van de toren van de Verlosserspoort slaat, verschijnen daaronder twee nieuwe wachters, onder begeleiding van een derde. In ganzepas, met stampende laarzen, waarbij met iedere schrede de hand tegen het geheven geweer met bajonet wordt geslagen, lopen zij naar de ingang van het mausoleum. Exact op de uurslag van de torenklok vindt de aflossing van de wacht plaats. De Verlosserspoort, vanouds de hoofdingang en paradepoort van het Kremlin, kreeg zijn naam in 1658, toen in de nis boven de ingang een Christus-ikoon werd aangebracht. Tot de oktoberrevolutie mocht geen man door de poort gaan zonder eerst zijn hoofdbedekking te hebben afgenomen. De Christus-ikoon is uiteraard verwijderd. Nu moeten mannen hun hoofdbedekking afnemen alvorens het Lenin-mausoleum te betreden.

Zoals de swastika een occult symbool was van de oude brahmanen-religie en door de nationaal-socialisten tot hakenkruis (dat in de tegengestelde richting draait) werd getransformeerd, zo is de vijfpuntige ster van het communisme een gebroken en misvormd pentagram. Het pentagram is het occulte symbool van het esoterische Christendom.

Zal de Sovjet-Unie uit de doodsgreep van wat daar heerst, kunnen worden bevrijd? Mensen uit het westen kunnen, soms, een beetje materiële of morele steun bieden. Zij kunnen proberen, op een algemener plan, werkelijk in hun bewustzijn toe te laten, te verdragen, en zo mogelijk te compenseren, wat zich daar voltrekt. Het overige zal alleen van binnenuit, door burgers van de Sovjet-Unie en misschien wel alleen door hen die officieel partijlid zijn en die tot de geprivilegieerde elite behoren, kunnen worden gedaan.

Zesmaal reisde ik door de Verenigde Staten. Op een veel grotere en duidelijker schaal dan in het kneuterige kleine West-Europa word je daar geconfronteerd met de verschrikkingen van het westen, met het falen en lijden van individuele mensen. In Rusland openbaart zich nog iets anders: het lijden van het op een na grootste massavolk ter wereld, het lijden en falen van de mensheid.

Op de tweede pinksterdag dat ik op het Rode Plein stond, leek het alsof een heel zacht, gouden licht ging schijnen vanuit het zuiden. Misschien is dat een hoopvol symbool.

‘Ik zal proberen je uit te leggen, waarom ik ‘duitsers’ en ‘duits’  meestal met een kleine d schrijf, in tegenstelling tot de namen van andere volkeren. Tijdens de oorlog was ik acht (bijna negen) tot en met dertien jaar oud. Hoewel vele tientallen leden van mijn familie door de duitsers in hun vernietigingskampen zijn vermoord, evenals de meeste kinderen van het joodse schooltje dat ik in 1941/’42 moest bezoeken, kon ik dat als kind toch niet echt bevatten. Wat ik echter uitstekend kon bevatten, was dat je woorden zoals ‘jood’ en ‘joods’ van de ene dag op de andere van hen met een kleine letter moest gaan schrijven (wat tegen het toenmalige gebruik in was en een symbool voor hun haat en verachting). Daar was ik zeer door geschokt. Dat ik nu ‘duits’, enzovoort, bij wijze van uitzondering, niet met een hoofdletter schrijf, is een vorm van piëteit jegens de door hen vermoorde familieleden, vrienden, schoolgenoten. Een machteloos symbool, daar ben ik mij van bewust. Het beetje ergernis dat ik sommigen daarmee bereid, is mijn late kinderwraak of, als je wilt, een gebaar jegens het kind dat toen alleen bij die kleine letter iets kon voelen.’

Terug naar het Nieuws & Blog overzicht

Verantwoording  -  Copyright  -  Privacy
Webdevelopment: Silicium interactief