Xandra Schutte – Homoseksualiteit: Andreas Burnier en Marguerite Duras

1993

Uit: Lust & Gratie, winter 1993, No.40 -Jubileumnummer

Homoseksualiteit: Andreas Burnier en Marguerite Duras

Xandra Schutte

De Nederlandse schrijfster had nu al een paar weken haar Amsterdamse appartement ingewisseld voor het oude huis op de heuvel in Trouville aan de Normandische kust. Het leven dat zij daar leidde, was eenvoudig en regelmatig. Elke dag aan het eind van de middag slenterde zij langs zee, langs het rotsige strand tot de uitspringende klif in het noorden en terug Trouville in, langs de kades en de haveningang tot het terras van Hotel de la Marine, het middelpunt van het stadje. Elke dag laafde zij zich aan de zee, de zee die aan zichzelf gelijk is, die alles opneemt, die niets geeft, alles absorbeert. Erboven de wolkenstapels en tinten blauw zoals die alleen aan de westkust van Europa zijn te zien. Soms was niet te onderscheiden waar het water ophield en de lucht begon.

Er was die middag bijna niemand in Café de la Marine. Alleen enkele stamgasten. De Nederlandse schrijfster ging buiten op het terras zitten, de dag was nog mooi, en juist toen ze haar Pernod met water had aangelengd, passeerde de Franse schrijfster, een kleine donkere vrouw met Aziatische trekken, gekleed in zwart vest, rechte rok en coltrui. De Nederlandse schrijfster noodde de Franse schrijfster aan haar tafel. Zij keek naar haar. Ze zag het zwarte pak van de Nederlandse schrijfster, het korte zwarte haar en de blauwe ogen, die uit de zee leken voort te komen. Zij keek en nam plaats. En zij spraken met elkaar. Over de liefde. Over seksualiteit. Over mannen en over vrouwen.

‘Mannen zijn homoseksueel’, zei de Franse schrijfstcr. ‘Alle mannen zijn potentiële homoseksuelen, ze weten het alleen nog niet, zc moeten er nog achter komen, bij toeval of vanzelf.’

‘Alle vrouwen zijn homoseksueel, behalve zij die het nog niet weten’, vulde de Nederlandse schrijfster aan. Zij was in Nederland bekend en gevreesd door de radicaal feministische romans en essays die ze eind jaren zestig, begin jaren zeventig had gepubliceerd. ‘Er bestaan geen heterofiele vrouwen, maar er bestaan wel ontevreden vrouwen. Een vrouw met een IQ van meer dan 110 is uiteraard homoseksueel.’

De Franse schrijfster knikte aandachtig, haar fascinatie gold vooral de mannelijke homoseksualiteit. Zij had twee boeken geschreven waarin de mannelijke homoseksualiteit de onmogelijkheid symboliseert van de ontmoeting tussen de seksen, de onmogelijke liefde tussen man en vrouw. Het verschil tussen de geslachten is onoverbrugbaar en de versmelting tussen man en

vrouw is een illusie die door de wetten van de erotiek eeuwenlang wordt verkondigd. Het verlangen naar versmelting blijft onverminderd van kracht, ondanks de onmogelijkheid; het maakt het gevaar uit van de heteroseksuele liefde.

Heteroseksualiteit is gevaarlijk,’ zei de Franse schrijfster, ‘daar laat je je in de verleiding brengen om de perfecte dualiteit van het verlangen te bereiken. Er is geen oplossing in de heteroseksualiteit. Man en vrouw zijn niet met elkaar te verzoenen en het is de poging die onmogelijk is en die bij elkc liefde herhaald wordt, die er de grootsheid van uitmaakt.’

Heteroseksualiteit, ook voor de Nederlandse schrijfster was die allerminst vanzelfsprekend: ‘Als het niet in de boekjes stond en op de film vertoond werd, om van parken, dijken, zwembaden, bossen, duinpannen, struikgewas en pornografische afbeeldingen nog maar te zwijgen, zou ik nooit op het idee zijn gekomen dat het mogelijk is iemand van de andere sekse te beminnen, althans te begeren. Natuurlijk, de voortplanting en zo… maar wie denkt daar ooit aan, behalve kapelaans en de N.V.S.H.?’

De Nederlandse schrijfster zocht de polariteit tussen man en vrouw niet, zij kende het verlangen de polariteiten te laten versmelten niet. ‘Ik begrijp die liefdesuitbarstingen niet van zachte vrouwen voor grote, sterke mannen en vice versa. lk verdenk ze van plagiaat, van literatuur leven. Aan het gedifferentieerd gelijke: de grote man en de vrouwelijke knaap, de intellectuele vrouw en het lieve meisje, ontwikkelen wij de begeerte, is het mogelijk iets van het zelf te herkennen, tot zelfkennis en liefde voor de ander te komen. Het werkelijk polaire stoot af, evenals het volmaakt gelijke.’

Plagiaat. Literatuur leven. De Franse schrijfster bedacht dat mannen in de heteroseksuele relatie een passieve rol spelen, een rol die nu eenmaal zelden verheffend is. ‘Ach,’ zuchtte ze, ‘al die mannen die maar afwachten in een heteroseksuele verhouding, alleen, in een hoekje, zonder met hun vrouw te kunnen communiceren, of in salons, of op stranden of in straten, en die dat niet weten, het moeten er miljoenen en miljoenen zijn overal op de wereld. Als deze mannen uit hun rol binnen de heteroseksuele relatie stappen zijn ze niet langer terughoudend.’

De schrijfsters zwegen geruime tijd. De een dacht aan de homoseksuele man als valse minnaar, hij kent slechts een passie, de homoseksualiteit. Hij bemint niet de ander, maar is in zeer hoge mate geïnteresseerd in zichzelf. De ander dacht aan de homoseksuele vrouw die de strikte grenzen van de vrouwelijke seksualiteit overschrijdt. Veel sterker dan de man wordt de vrouw vastgeprikt door stereotypen en clichés, als een vlinder in de kist van de vlindervanger. De homoseksuele vrouw probeert zich los te rukken. Mannen zijn al lang genoeg homoseksueel, ze zijn lang genoeg hechte banden met elkaar aangegaan. Nu is het de beurt aan de vrouwen zich op zichzelf en elkaar te richten.

Alsof zij die gedachten kon raden, sprak de Franse schrijfster voor zich uit: ‘Voor mij bestaat er een verband tussen homoseksualiteit en de vrouwenbeweging. Beide houden zich voor alles met zichzelf bezig. Als je iets tegen homoseksualiteit zegt, zelfs een kleinigheid, dan zie je hen weer bezig zich te bevestigen in een minderheidsseparatisme dat voor hen in alle tegenstrijdigheid zowel pijnlijk als ongewenst is. De vrouwen staan er nu op, zou je zeggen, om hun verschil met de man altijd onaangetast en absoluut te houden. Net als de homoseksuelen nog willen vasthouden aan de oude onderdrukking en de afstand die hen scheidt van de samenleving absoluut willen houden. Als je in bedekte termen te verstaan durft te geven dat de dingen voor hen beter worden, dan beledig je hen ernstig. Homoseksuelen en vrouwen beiden willen de processen die ze de man en de samenleving hebben aangedaan gaande houden. Zij zetten deze processen in beweging, zorgen ervoor dat het gewoon bij hen hoort, de uitverkoren plaats van hun martelaarschap.’

‘Nee, dat geloof ik niet,’ zei de Nederlandse schrijfster zacht, ‘ik geloof dat de strijd der seksen op een bepaald niveau heel reëel is, maar zoals zoveel reële dingen is hij ook symbool voor iets anders. In laatste instantie – als dat wat bevochten moet worden, bevochten is – is er een strijd binnen de individuele mens zelf, tussen het feminisme en masculinisme in hem of haar. Iedere uiterlijke strijd is mede de projectie naar buiten van iets wat zich in de mens afspeelt.’

‘En waar is de tijd dat er geen strijd was? Waar is het allemaal gebleven, de tijd dat wij onszelf als Ik konden ervaren, de mensen en de goden waardig? Waarom zijn wij soortelingen geworden, man of vrouw, homoseksueel of heteroseksueel, van deze of gene klasse, van dit of dat beroep, westers, twintigste-eeuws, Euro-Amerikaans soortdier?’

De dag was overgegaan in de vroege avond. Het plein lag in schemer gehuld. Het stadje was stil en bewegingloos. Met tussenpozen was het lawaai hoorbaar van de gesprekken in de gelagkamer van Hotel de la Marine. De Nederlandse schrijfster en de Franse schrijfster zwegen.

‘Als alle mannen en vrouwen nu daadwerkelijk homoseksueel zouden zijn …’, vroeg de Nederlandse schrijfster zich binnensmonds af.

‘Dat,’ zei de Franse schrijfster, ‘dat wordt de grootste ramp aller tijden. Het

begint ongemerkt. We constateren een lichte daling in de bevolkingsgroei. Er wordt niet meer gewerkt. In eerste instantie nemen we onze toevlucht tot massale immigratie zodat het werk kan worden gedaan. En dan weten we niet wat er verder zou moeten gebeuren. Misschien wachten we met z’n allen de totale ontvolking af. We zouden voortdurend slapen. De laatste mens zou ongemerkt doodgaan. Maar wellicht duiken er weer nieuwe heteroseksuelen op en begint de hele vertoning van voren af aan.’

© Xandra Schutte

Webdesign & development: www.silicium.nl