Wetenschap

Andreas Burnier was behalve auteur ook als C.I. Dessaur (filosoof) hoogleraar criminologie aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Niet alleen als Jood een vreemde eend in de bijt van een katholieke cultuur, maar ook omdat zij een van de weinige vrouwelijke (en bovendien openlijk homoseksuele) hoogleraren was. Zij kwam regelmatig in conflict met de dominante wetenschappelijke cultuur door haar eigenzinnige opvattingen.

Boeken

Droom der rede - 1982 - link

Poëzie, jongens en het gezelschap van geleerde vrouwen - 1974 - (Deel I Het gezelschap van geleerde vrouwen. (ook deels opgenomen in Essays 1968-1985) ) - link

De zwembadmentaliteit - 1979 - ((ook deels opgenomen in Essays 1968-1985)) - link

De rondgang der gevangenen - 1987 - link

Een gevaar dat de ziel in wil - 2003 - (Deel II Wetenschap tussen cultuur en tegencultuur) - link

De achtste scheppingsdag - 1990 - (Afscheidscollege opgenomen in deze bundel ) - link

Verder lezen

Interview door Lize Alink - 1981 - link

Criminologie van de kruimeldief - 1987 - link

Schriftelijk interview met Ars Aequi - 1988 - link

Schriftelijk interview met Andreas Burnier voor Sophia & Co - 1988 - link

Fragmenten

Uit: Rondgang der gevangenen

Na het bezoek aan de Japanse tuin reden wij door het gigantische Golden Gate Park naar de Pacific Ocean om daar de zonsondergang te zien. Het was eb. Tegen de achtergrond van de schuimende branding en de overweldigende, kleurrijke lichtkoepel zag je silhouetten van mensen, die op het spiegelende natte zand liepen aan de rand van de oceaan. Wat is een beter symbool voor het aardse bestaan dan die zwarte figuurtjes aan de rand van de oneindige ruimte van water en licht? Voor zo’n fundamentele realiteit zijn er in de moderne wetenschap geen woorden. Het is zelfs niet gepast erover te spreken. (Pag. 29)
———————————
Maar het ethisch neutralisme wordt zelf een nieuwe vorm van kwaad als het tot ethische norm wordt en je niet meer op cruciale momenten de dingen bij hun naam mag noemen (to call a spade a spade), in gevallen van terreur, geweld tegen zwakkeren, ‘euthanasie’, kindermishandeling en incest, destructieve massahysterie, enzovoort. Het feit dat je iets ethisch beoordeelt, behoeft helemaal niet altijd een veroordeling of straf te impliceren. Dat is namelijk waar de ethische neutralisten zo beducht voor zijn. Je zou begrip, mededogen, empathie kunnen uiten voor mensen wier gedragingen je ten strengste moet veroordelen. Die houding maakt, bij voorbeeld, de dagboeken van Etty Hillesum zo uniek: zij beschrijft, verwerpt en bestrijdt de mentaliteit en gedragingen van de duitsers. Maar zij blijft zich verbonden voelen met de betere kern die zij ook in hen aanwezig achtte. Velen die die psychische subtiliteit niet begrijpen, vinden haar overigens daarom verachtelijk.
Ethisch handelen is soms al dat je gedrag waarmee mensen zichzelf en hun medemensen ernstig schaden aan de kaak stelt, benoemt, en het een halt probeert toe te roepen. Je kunt het kwaad niet uitroeien je kunt het wel signaleren en er factische of morele beperkingen aan proberen op te leggen: ‘Tot hiertoe, en niet verder.’ Dat is belangrijk voor het sociale en geestelijke welzijn van de samenleving. Als je dit niet ziet, en alleen maar de bezwaren onderkent van de periode die wij net achter ons hebben – een periode van te veel en te willekeurige taboes en te veel verbaal moralisme – dan krijg je het soort passieve acceptatie van alles, die de Nederlandse samenleving in de afgelopen decennia in zo’n razendsnel tempo heeft doen verloederen en op sommige plekken bijna onleefbaar heeft gemaakt. (Pag. 57)
————————————
Mijn protest tegen sterk reductionistische benaderingen van de mens en haar/zijn ervaringswereld is dus niet zozeer dat ik denk dat zij geheel en al onwaar zijn, maar dat zij typische deelwaarheden bieden. Binnen hun perken wellicht verhelderend – dat geldt zelfs voor het behaviorisme, of voor marxistische analyses van negentiende-eeuwse economische toestanden – maar belemmerend, schadelijk en uiteindelijk gevaarlijk, zodra zij expansionistische neigingen krijgen en universele geldighcidsaanspraken gaan maken. Zo is het bezwaar van de moderne westerse wetenschappen niet zozeer hun reductionisme naar het factisch-rationele niveau (dat is ten dele juist hun kracht), maar de pretentie dat hiermee alles adequaat kan worden onderzocht, beschreven, verklaard en behandeld. Ook zeggen of impliceren de aanhangers van de Kerk der Rede dat er geen ‘echte’ wetenschap is, behalve die van hun soort. Denk, bij voorbeeld, aan de neo-positivisten: zij hebben voor hun gevoel het enige ware geloof in pacht. Wetenschap, mits van hun soort, is voor hen ook gevoelsmatig analoog aan het enige wat er echt toe doet. Esthetiek is in hun optiek alleen maar iets voor de kunst en je vrije tijd, en ethiek is ouderwets gedoe voor de zondag, waar inhoudelijk niet zinnigs over valt te zeggen. (Pag. 61)

< Bekijk alle themas
Webdesign & development: www.silicium.nl