Spiritualiteit

Oosterse en westerse spiritualiteit

(Voor Chris R.)


Over de oosterse en de westerse spirituele weg kun je, voor een westers gehoor, op twee manieren spreken. De ene manier is dat je datgene accentueert wat oosterse en westerse mensbeelden en meditatiewegen gemeenschappelijk hebben, in de hoop dat het westerse gehoor de oosterse visie daardoor gemakkelijker zal herkennen. Zo zou je erop kunnen wijzen dat er in het Oosten, zij het minder dominant dan in het Westen, wel degelijk materialistische, rationalistische en atheïstische geestelijke stromingen zijn geweest. Dat is voor ons natuurlijk zeer herkenbaar. Of je kunt, bijvoorbeeld, er de nadruk op leggen dat in de godenwereld van het Hindoeïsme veel is te vinden dat analoog lijkt aan onze westerse, christelijke opvattingen over een goddelijke triniteit. Voor de hindoes bestaat de triniteit uit Brahma, de Schepper, Vishnu, de Behouder, en Shiva, de Vernieuwer of Vernietiger. De overeenkomsten tussen de liefdevolle god Vishnu,die van tijd tot tijd incarneert, onder andere in de gedaante van Krishna, om de mensheid bij te staan als zij te ver dreigt af te dwalen van haar goddelijke bestemming en de incarnatie van Christus in Jezus volgens de christelijke visie, of tussen de dynamische god Shiva en de Heilige Geest van het Christendom, zijn opmerkelijk. Er zijn ongetwijfeld ook theologische verschillen te benoemen, maar de analoge structuren blijven daarom niet minder indrukwekkend.

 

Ook is in de alledaagse religieuze praktijk met name van de eenvoudige hindoes veel te vinden dat zeer sterk verwant is met gebruiken onder het gewone kerkvolk van het Westen. De hindoes, en merkwaardigerwijs zelfs ook de minder geletterde boeddhisten, kennen het wensgebed, waarbij je hogere machten iets probeert af te smeken, kennen de devotie voor heilige plaatsen en beelden, kennen het brengen van offeranden en het consacreren van spijs en drank. Er is, afgezien van de verschillen, ook zeer veel overeenkomst tussen onze christelijke eucharistie- of avondmaalviering en het prasad van de brahmanen.

 

Met name voor de boeddhisten lijken dergelijke handelingen misschien wat contradictoir, omdat de historische Boeddha zulke zaken niet tolereerde of althans niet wenselijk achtte. Maar een feit is nu eenmaal dat de menselijke ziel in een bepaalde fase van haar ontwikkeling behoefte blijkt te hebben aan rituelen en aan devotionele handelingen en dat ‘gewone mensen’ dus de Boeddha aanbidden als ware hij een persoonlijke god en rituele handelingen verrichten als ware het Boeddhisme een godsdienst zoals het Hindoeïsme of het Christendom. Kennelijk is de structuur en de ontwikkelingsgang van de menselijke psyche in zoverre universeel, dat mensen in een bepaald ontwikkelingsstadium behoefte hebben aan nogal menselijk verkeer met hun God of goden, aan het bezweren van onheil en het afsmeken van zegen via hogere machten, aan rituelen, offers, verering en onderwerping. Al deze behoeften leven in de mens en als die behoeften in strijd zijn met de essentie van de leer, zoals in het Boeddhisme, dan wordt aan die leer wel een draai gegeven waardoor men toch aan zijn trekken komt.

 

Omgekeerd weet het atheïstische, materialistische Westen toch ook kanalen te vinden voor de universele religieuze behoeften, bijvoorbeeld via de aanbidding van linkse of rechtse dictators, de verering van politieke terroristen, voetbalhelden, popsterren of filmidolen. De rituelen die daarmee gepaard gaan, mogen in onze ogen misschien bloederig en grof, gewelddadig of vulgair zijn, het zijn daarom niet minder rituelen. Zoals Laurens van der Post al schreef: “Neem de mensen hun godsdienst af en er komt iets veel ergers voor in de plaats.”

 

De andere manier om over ons onderwerp te praten, is dat je juist niet het analoge maar het specifieke benadrukt van de oosterse en de westerse mentaliteit. Over het algemeen geniet deze aanpak de voorkeur bij mensen die weliswaar grote bewondering hebben voor de vaak zeer diepzinnige, uiterst gedifferentieerde oosterse opvattingen, maar die er desondanks van overtuigd zijn dat voor westerse mensen alleen een westerse spirituele weg op den duur vruchtbaar is. U kunt denken aan de manier waarop, bijvoorbeeld, Rudolf Steiner of Carl Gustav Jung over oosterse spiritualiteit en oosterse psychologie hebben gesproken en geschreven. De boodschap is dan eigenlijk steeds: dit is prachtig maar niet voor ons, niet voor mensen uit het Westen, uit het tijdperk na Christus, die – veel dieper dan zij zelf beseffen – wortelen in de westerse cultuur, dat wil zeggen in een amalgaam van Hebreeuwse en Helleense elementen, in Jodendom en Griekendom, gefilterd door het Romaanse en Germaanse bewustzijn.

 

Het is evident dat veel hedendaagse westerlingen op zoek zijn naar verlichting en verlossing via het Oosten en dat zeer veel hedendaagse oosterlingen hunkeren naar alle technische en sociale verworvenheden van het Westen, naar onze aardse kundigheden. Van een strikte polariteit tussen oost en west kun je dus allang niet meer spreken, gegeven de intensieve culturele uitwisseling, maar desondanks is er, zo niet aan de oppervlakte dan toch in de diepten van ons onbewuste, sprake van zeer fundamentele, vrijwel polaire verschillen tussen oosterse en westerse mensen.

 

In de diepten van onze westerse psyche leeft, bijvoorbeeld, ook al zijn wij ons daarvan misschien nauwelijks bewust, een zondebesef dat te maken heeft met de Hebreeuwse wortels van onze cultuur en dat het Oosten in deze vorm niet kent. De zowel collectieve als persoonlijke schuld tegenover een persoonlijke God, een schuld die uiteindelijk
plaatsvervangend voor ons wordt ingelost: hetzij door de offerende hogepriester, hetzij door de lijdende, geïncarneerde God, dat kent het Oosten niet in zijn eigen cultuur. De ‘schuld’ van het Oosten, voor zover daarvan al sprake is, heeft veel meer het karakter van een natuurwet dan van een moreel vergrijp tegen een persoonlijke God en voor plaatsvervangende delging van schuld is in de oosterse spiritualiteit al in het geheel geen plaats. Je moet het uiteindelijk allemaal zelf doen en je kunt het zelf doen, omdat je voor een deel zelf goddelijk bent. God is in de oosterse visie niet een transcendente Persoon. Op het oosterse equivalent van onze godsbeelden en onze zondevals- en verlossingsgedachten kom ik nog terug.

 
Een ander verschil is dat voor ons, wederom door invloeden die uit het Midden-Oosten komen, de tijd iets is wat zich lineair voltrekt, van een absoluut begin – in religieuze beeldentaal: de Schepping uit het Niets of de Hof van Eden – naar een absoluut einde – zeg maar het hemelse Jeruzalem, waarbij de voortschrijdende gang van de tijd in het Westen in feite wordt gezien als een ontwikkeling van laag naar hoog, een ontvouwing, een positieve evolutie. Weliswaar zullen westerse filosofen of wetenschapsbeoefenaars ingewikkelder en subtielere tijdsopvattingen erop na houden, maar in onze westerse common sense, en ook in de diepte van ons onbewuste, zitten nu eenmaal opvattingen en denkstructuren die maken dat wij meestal van nature de tijd als een soort lijn zien en de evolutie als iets dat van laag naar hoog gaat, van primitief naar gedifferentieerd.

 

Oosters is het daarentegen om de tijd cyclisch te zien: gigantische tijdronden die zich steeds weer herhalen, en de evolutie als iets dat juist gaat van hoog naar laag, tenzij de mens zelf ingrijpt en zorgt dat zij involueert: dat zij terugkeert naar haar hoge niveau van oorsprong.

 

En ten slotte, misschien wel het belangrijkste verschilpunt waar alle andere toe zijn te herleiden, is er de kwestie van het ego, het krachtige, goed aan de aarde aangepaste, zelfbewuste, alledaagse ‘ik’, waarmee de westerling zich staande houdt en dat voor de oosterling nu juist de bron van alle kwaad en ellende is. Voor de oosterling is de
ontwikkeling het egobewustzijn, waardoor wij onszelf gaan ervaren als een eenzaam en uniek centrum van het universum,op zichzelf ‘de zondeval’. De mens moet van het ego, met al zijn beperktheden, zijn angsten en lusten, zijn narcisme, zijn machtsstreven, zijn blindheid, weer loskomen en weer opgaan in het AL, daar komt het kort gezegd op neer. Alle authentiek oosterse spirituele wegen zijn even zovele manieren, voor verschillende typen mensen,om het ego uit te wissen.

 

De christelijke spiritualiteit daarentegen is niet gericht op uitwissing van het ego, maar op transformatie daarvan. Als je de gelijkenis van de verloren zoon (Lucas 15:11-32) neemt als een parabel voor de ontwikkelingsgang van het egobewustzijn, dan kun je zeggen: het Oosten wijst het ego, die verloren zoon, af. Het Westen ontvangt de verloren zoon, het ego dat door de diepten is gegaan, nadat het zich heeft gelouterd en getransformeerd.

 

Het verschil in waardering van het ego is het kernpunt als je oost en west tegenover elkaar wilt stellen. Nog andere verschillen, zoals dat wij kerkelijke mannenhiërarchieën kennen, die door het Romeinse bestuurswezen zijn geïnspireerd, en het Oosten in het algemeen niet, zijn van secundair belang.

 

Omdat ik binnen een kort bestek bezwaarlijk een cursus westerse en oosterse filosofie kan geven (ik ben trouwens geenszins een expert in de oriëntalistiek), wil ik u hier eerst alleen maar schetsmatig laten zien hoe het denken in oost en west in zeer grote lijnen is verlopen en hoe essentieel anders de ontwikkelingslijn tot dusver is geweest.

 

Oost West
1 Veden Upanishads 1 Het Oude Testament

2 Sankhya-filosofie + yogapraktijk

Theravada-boeddhisme

2 Grieks-Romeinse wijsbegeerte en rechtsleer
3 Bhagavad Gita 3 Het Nieuwe Testament

4 Mahayana-boeddhisme

Zen

Tantrisme

4 Patristiek, Scholastiek, Neoplatonisme

5 Modern syncretisme

(Ramakrishna e.a.)

5 Moderne filosofie en esoterie

 

Bijna steeds ligt in het Westen het accent op de egoversterking (denkt u alleen al aan het chosen-people-thema in het Oude Testament en alle geboden en verboden in het Jodendom, het complexe taboesysteem, dat uiteraard de ego-ontwikkeling bevordert). Vergelijkt u, bijvoorbeeld, ook eens het Theravada-boeddhisme, met zijn ‘er is geen God’, ‘er is geen ziel’, ‘er is geen ego’, ‘er is geen atman’, met de opkomst en de ontwikkeling van de Romeinse rechtsleer, waarin juist  voor het eerst de aardse persoonlijkheid als afzonderlijke entiteit haar rechten en plichten krijgt toegewezen, waarin de afzonderlijke individuele mens voor het eerst volledig ‘tot zijn recht komt’.

 

Zoals de openbare massagodsdiensten vooral tegemoetkomen aan de emotionele behoeften van velen, komen filosofische stelsels tegemoet aan uiteenlopende intellectuele behoeften. Maar zowel godsdienst enerzijds als filosofie anderzijds zijn toch nog maar een voorportaal voor de zoekende mens, die tot hetzij religieuze ervaring, hetzij ‘verlichting’ wil komen. Wie werkelijk op weg gaat op het innerlijke pad, zal vroeg of laat een meester ontmoeten in de vorm van een integere goeroe (waarvan er overigens naar mijn mening maar heel weinigen op aarde aanwezig zijn),of van een innerlijke meester, een innerlijke stem. Ik wil u nu twee ideaaltypische gesprekken laten horen,eerst tussen een leerling en een oosterse meester,dan tussen een leerling en een westerse, esoterisch-christelijke meester.

 

Stelt u zich een hedendaagse, kosmopolitische discipel voor, die zich niet identificeert met enige lokale traditie of voor de grote massa bestemde openbare leer en die in contact komt met een integere oosterse, spirituele leraar, die wij kortheidshalve goeroe zullen noemen.

 

De leerling nadert de goeroe en zegt: ‘Eerbiedwaardige meester, ik heb het leven in de alledaagse buitenwereld in al zijn aspecten leren kennen en het bevredigt mij niet langer. Ik heb de grote systemen van de grote denkers gezocht, de religieuze overleveringen en de godsdienstige tradities en rituelen van alle mogelijke richtingen bestudeerd, en in alle zit wel iets moois of iets waars, maar in wezen ben ik daarmee toch niet veel verder gekomen. Zeg mij wat ik nu moet doen.’

 

De goeroe, die ziet dat de discipel daarvoor rijp is, zou bijvoorbeeld als volgt kunnen antwoorden: ‘Voordat deze wereld ontstond, die jij nu als de intellectueel en emotioneel onbevredigde aardse wereld om jou heen ervaart, was al het zijnde Een. Sommige scholen noemen dat de toestand van het ongemanifesteerde goddelijke Al-zijn, het Brahman. Andere leggen de nadruk op de innerlijke ervaring van die sublieme toestand en noemen dat Nirvana. Sommige scholen maken een scherp onderscheid tussen het ongemanifesteerde, hoogste goddelijke principe in ons en in de kosmos enerzijds, en de veelvoudige manifestaties van het goddelijke oerprincipe in de gemanifesteerde kosmos anderzijds. Maar jij begrijpt dat wij, al naar gelang wij onze blik richten, kunnen spreken over een allerhoogst, volstrekt ongemanifesteerd goddelijk oerbeginsel “achter” de kosmos, “achter” de tijd of “achter” ons eigen, afgesnoerde ego, een allerhoogste beginsel dat rust in zichzelf, dat niet wordt beroerd door de wereld van het worden, het vergankelijke, het zintuiglijk waarneembare of het intellectueel bedachte en waarin, eeuwig, alles Een is. En dat wij anderzijds kunnen spreken van het goddelijke oerprincipe dat zich wél manifesteert in de tijd, in de zintuiglijk waarneembare kosmos en in de pluriformiteit van onze mensenego’s. Dat wat zich van zichzelf bewust wordt als mensenego’s is ook goddelijk van oorsprong, maar het ervaart zichzelf als afgesnoerd van het Alweten, de Alliefde, het Alzijn. In onze ego’s speelt God als het ware verstoppertje met zichzelf.

 

Wat jij, als discipel, moet leren is dat in jouw ego-ervaring en de transformatie daarvan de sleutel ligt tot je verlichting en verlossing. In jouzelf kun je toegang vinden tot dat allerhoogste, ongemanifesteerde goddelijke oerbeginsel, het Brahman, dat men in mensen ook wel het Atman, het hoogste Zelf noemt. In jou is eigenlijk op dit moment al aanwezig de ervaring van het Nirvana, van de hoogste goddelijke al-eenheid, waarin geen grenzen zijn, geen onwetendheid, geen beperkingen, geen duisternis. Het is je kleine alledaagse ego, je kleine zelfbeleven dat je hebt ontwikkeld in interactie met de zintuiglijk waarneembare wereld, dat in stand wordt gehouden door je begeerten, je emoties, maar ook door je intellectuele reflectie, dat je belet de hoogste ervaring, ook wel samadhi, moksha of satori genoemd, nu al te hebben. Transformeer dit ego-beleven, door yoga, door meditatie over de Bhagavad Gita of over de Boeddha, de weg is onbelangrijk. Dan zul je niet alleen de hoogste verlichting bereiken en de totale verlossing van al je aardse kwellingen en beperktheden, maar je zult dan ook beseffen dat je eigenlijk altijd al in die toestand was, alleen kon je haar niet bewust ervaren. Zoals wij overdag de sterren, die toch aan de hemel staan, niet kunnen zien door het licht van de zon, zo kunnen wij samadhi of Nirvana niet ervaren door ons egobewustzijn. Zoals wij niet door een wolkendek kunnen heen kijken, zo kunnen wij niet kijken door de sluier van maya, die onze begeerten en emoties teweegbrengen. Maar als ego Atman is geworden, dan zal het zijn alsof wij overdag ook de sterren en ‘s nachts ook de zon kunnen zien. De verduistering en de afsnoering van je hoogste Zelf die de ego-ervaring teweegbrengt, die kun je opheffen door het Pad te gaan dat ik je zal wijzen.’

 

De leerling vraagt: ‘Maar waarom is er die afgesnoerde, wanhopige, pijnlijke, vertwijfelde ego-ervaring, o goeroe, als eigenlijk alles één is? Waarom dit lijden van ieder mens, waarom al het geweld, al het onrecht dat wij elkaar aandoen, waarom die vreselijke, duistere onwetendheid waarin de meeste mensen hun leven doorbrengen en het gekwelde, vergeefse zoeken van enkelen die iets verder zijn?’

 

De goeroe zegt: ‘Dit is het goddelijke spel, leerling. Dit is lila, of de dans van Shiva, in wiens kracht steeds alles geboren wordt, weer te gronde gaat en wordt herboren in de eeuwige cyclus van het gemanifesteerde goddelijke Alzijn. De ware werkelijkheid, die je zult ervaren als je scholingsweg in deze ronde ten einde is, is één, is onberoerd door duisternis of kwaad, is onbenoembaar. De veelvoudige, duistere werkelijkheid die je nu nog ervaart, dat is God die verstoppertje speelt met God. Zo differentieert het goddelijke zich, zo komt het tot bewustzijn van zichzelf. Eeuwig ademt God in en uit, is Eén en veel, iets anders is er niet.

 

Dit geldt voor de kosmos die na iedere “dag van Brahma” (432 miljard jaar) weer wordt “ingeademd” in een even lange toestand van pralaya (een kosmische slaap), en dan weer wordt uitgeademd (gemanifesteerd). Maar het geldt ook voor jou, als individu. Ook jij bent God die verstoppertje speelt met God. Ga op weg en je zult begrijpen waarom je jezelf nu nog ervaart als zoekend, onwetend, sterfelijk en hoe tegelijkertijd het alwetende, alzijnde, volmaakte, eeuwige en volstrekt onvergankelijke allerhoogste goddelijke principe al in jouzelf is te vinden.’

 

De leerling zegt: ‘Wat moet ik doen om die toestand van zelfervaring te bereiken?’

 

De goeroe antwoordt: ‘Neem bijvoorbeeld de Bhagavad Gita als uitgangspunt voor je meditaties. Of mediteer over de weg die de Boeddha ging. Leer te werken in de wereld zonder egobelangen (karma-yoga), leer je medemensen meer lief te hebben dan je kleine zelf en de kosmos te vereren als goddelijke manifestatie (bhakti-yoga). Beoefen de yoga van het belangeloze handelen (karma-yoga ), van de devotie (bhakti-yoga) of van de contemplatieve kennis (jiiana-yoga). Als het jou lukt je ego uit te wissen, zoals de Boeddha heeft gedaan, of als je de weg volgt die Krishna (een volledige incarnatie van het goddelijke Vishnu-aspect) aan Arjuna heeft gewezen in de Bhagavad Gita, dan zul je opgaan in Nirvana, dan zul je deel hebben aan de natuur van Brahman, dan zul je weer één zijn met het Al waaruit je bent voortgekomen, in ieder opzicht bevrijd.

 

En als je de bodhisattva-weg kiest, dan zul je, in een vrijwillig offer, op de drempel van de totale bevrijding blijven staan, zodat je je in dienst kunt stellen van net zo’n bevrijding van al je medeschepselen. Maar in ieder geval zul je de lange, moeizame weg moeten aanvangen die leidt tot de uitwisseling van het illusoire egobeleven, waarin je nu nog bent bevangen. Daarom vraag ik van jou, om te beginnen, absolute gehoorzaamheid als je mij als jouw goeroe kiest. Niet omdat ik macht wil uitoefenen over jou, maar opdat je een begin maakt met het uitwissen van je ego. Je bent op weg naar een ervaring van jouw hoger Zelf, het Atman, dat één is met Brahman en voorlopig representeer ik het Atman voor jou.

 

Weet overigens, dat zelfs de spirituele weg niet anders kan worden begonnen dan vanuit ego-aspiraties: “Ik wil verlost worden. Ik wil verlicht worden. Ik wil bevrijd worden. Ik wil samadhi, moksha of satori bereiken. Ik wil in het Nirvana opgaan. Ik wil een bodhisattva worden.”

 

Al deze impulsen zijn paradoxaal, omdat je het “ik” dat dit alles nastreeft, verlangt, wil, juist als illusie moet leren doorzien, moet opgeven. Maar volg mij, en ik, jouw goeroe , zal je leiden op het Pad totdat je geen goeroe meer nodig hebt, omdat je zelf Atman bent geworden, omdat je ego is uitgewist.’

 

Zo verliep het imaginaire gesprek tussen de discipel die het spirituele pad wilde gaan en haar of zijn oosterse goeroe. Bij de oosterse weg behoren elementen zoals: zo perfect mogelijk doen waar je karmische situatie van dit moment aanleiding toe geeft. Dus: als je nu een traditioneel ‘onreine’ straatveger bent, een courtisane of een simpele boer, geef je dan zo volledig mogelijk aan de yoga (de spirituele techniek) die bij jouw toestand van dit moment past, zodat je voor de toekomst beter karma schept en op den duur via een zuivere, ascetische, contemplatieve weg je doel zult kunnen bereiken. Je bent nu misschien met karma-yoga, de yoga van de liefdevolle, perfecte, egoloze handeling. Die handeling kan bloemschikken zijn of latrines reinigen, dat is niet van belang. Je kunt ook, in iedere sociale situatie, bhakti-yoga beoefenen, de yoga van de devotionele overgave aan hogere wezens en van belangeloze toewijding aan je medemensen. Op den duur zul je de kans krijgen, door een gunstiger geboorte, je te wijden aan de hoogste vormen van contemplatieve yoga.

 

In wat heterodoxer systemen, zoals het Boeddhisme van diverse varianten, geldt in principe zelfs de noodzaak van een gunstige geboorte niet. Door volledige awareness, door volledig op te gaan in het hier en nu, kun je ogenblikkelijk de verlichting bereiken, ongeacht waar je staat in de samenleving, wie je bent of wat je doet. Als je nu met volmaakte aandacht, liefde en egoloosheid de huishouding zou doen, of de natuur aanschouwen of je mantram zeggen, of zelfs seks bedrijven, dan zou je verlost zijn en satori, samadhi of Nirvana ervaren. Je moet immers wel een weg gaan, maar iedere poging hem te gaan berust zelf op belemmerende ego-impulsen. Vandaar de paradoxale
systemen, zoals tantra-yoga, waarin zelfs en juist via de heftigste, meest elementaire ego-impulsen, zoals het bedrijven van seks, naar samadhi wordt gestreefd. Of het anti-intellectuele Zen-boeddhisme, waarin je moet leren dat bijvoorbeeld juist je pogingen koans op te lossen je beletten het goed te doen, omdat dat ego-impulsen zijn. Je moet het Pad willen en toch ook juist niet willen. Je moet, zoals Krishnamurti het formuleert, het land zien te bereiken waarnaar geen wegen voeren.

 

Ik interrumpeer even het imaginaire gesprek dat de leerling en haar of zijn oosterse goeroe voeren. Het is duidelijk dat er een gevaar loert op deze weg, zolang de totale verlichting nog niet is bereikt. Immers, de goeroe zegt: ‘De gemanifesteerde werkelijkheid is een eeuwigdurende cyclus, een gigantisch goddelijk spel.’ Daarnaast of ‘eigenlijk’ is
er het nimmer gemanifesteerde, allerhoogste goddelijke zijn, waarin alles één is: Brahman, Nirvana, samadhi, waarin je -al ervaart je ego dat niet – eigenlijk al verkeert. Dergelijke ideeën kunnen de leerling brengen tot een intensieve introspectie, een louterende zelfscholing via enige vorm van yoga, van meditatie, of van ongeacht welke voor haar of hem passende oefeningen en eventueel zelfs de paradoxale niet-oefening waar bepaalde vormen van Zen-boeddhisme en ook leermeesters als Krishnamurti naar verwijzen. Maar het gevaar is dat de nog niet verlichte juist versterkt zal worden in haar of zijn lage egocentrisme en egoïsme dat zij of hij steeds tracht uit te wissen, omdat:

 

a. alles toch eeuwigdurend, cyclisch wordt herhaald;
b. alles toch maar maya is en in elk geval lila, een goddelijk spel;
c. wij eigenlijk, als wij het maar zouden weten, al in de brahma-nirvana-toestand zijn.

 

De voor westerlingen vaak onbegrijpelijke oosterse indolentie en de onverschilligheid voor het dagelijkse lot van anderen vallen hieruit te verklaren.

 

Een van de zeer edele vormen van oosterse spirituele scholing, het Mahayana-boeddhisme, wijst de leerling dan ook tegelijkertijd op wat in deze traditie heet het bodhisattva-ideaal. De leerling moet wel streven naar het bereiken van de boeddha-status in haar of zijn bewustzijn, maar als deze in principe is bereikt of zelfs al zodra de leerling serieus begint deze status na te streven, kan de bodhisattva-gelofte worden afgelegd: ‘Niet zal ik opgaan in het Nirvana, voordat ik al mijn medeschepselen zal hebben geholpen bij hun weg tot verlossing. Niet zal ik opgaan in de nirvanatoestand, voordat ook de laatste van mijn medeschepselen zal zijn verlost.’ Deze spiritueel-altruïstische gelofte is weliswaar nog geen waarborg voor concreet mededogen met andere mensen, maar zij voorkomt wel het eventuele spirituele egoïsme dat anders bij de oosterse weg dreigt.

 

De ware oosterse goeroe zegt dus: ‘Neem een voorbeeld aan de Boeddha die zich manifesteerde ten tijde van het verval van de orthodoxe oosterse weg. Bedenk dat hij eens een mens was zoals jij en ik, levend vanuit zijn begeerten en emoties, zijn ego-impulsen. In de loop van vele aardse incarnaties kwam hij zover, dat hij de ego-illusies kon doorzien en opheffen. Nadat hij anderen zijn inzichten in de vorm van “de vier edele waarheden” had geopenbaard en de weg had gewezen die ook zij konden volgen, “het achtvoudige Pad”, mocht hij opgaan in het Nirvana. Als je de Boeddha als je leidsman wilt nemen, begin dan iedere meditatie met de spreuk: “Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha. Ik neem mijn toevlucht tot de dharma (de leer). Ik neem mijn toevlucht tot de sangha (de gemeenschap der discipelen).’
En laat op die spreuk volgen: “Mogen de vruchten van mijn meditatie en al wat ik doe op mijn spirituele ontwikkelingsweg mijn medemensen ten goede komen.” Op deze wijze voorkom je dat je vervalt tot spiritueel egoïsme.

 

Gaat je voorkeur uit naar het onderricht dat de goddelijke Vishnu, de Behouder, in de gedaante van Krishna, in de Bhagavad Gita aan de prins Arjuna heeft gegeven, mediteer dan over hoe de avatar (de volledige goddelijke incarnatie) Krishna de weg tot verlossing uit het egobestaan heeft gewezen aan de prins Arjuna.’

 

Degene die de westerse, christelijk-esoterische weg wil gaan, vindt evenals de ‘oosterling’ aanvankelijk tal van systemen en openbare leringen op haar of zijn weg, die onderling soms zeer verschillend lijken, maar die in feite voor de grote massa zijn bestemd die juist het ego nog moet ontwikkelen en die behoefte heeft aan concrete, historische of ethisch-stichtelijke voorstellingen.

 

Op de westerse esoterische weg zal de discipel waarschijnlijk niet een lijfelijke goeroe ontmoeten, zoals in het Oosten, hoewel dat niet geheel is uitgesloten. Het is meer waarschijnlijk dat na de nodige voorbereidende levenservaring en studie de westerse ‘goeroe’ zich in de gedaante van een innerlijke stem, een individuele ‘openbaring’ zo u wilt, zal manifesteren. Ook hier zullen wij een gesprek beluisteren, maar u moet daarbij wel bedenk en dat het waarschijnlijk niet een geïncarneerd individu is dat als goeroe spreekt.

 

De leerling zegt weer, net als daarnet: ‘Waarom al dit lijden, dit onrecht, deze onwetendheid, angst, eenzaamheid van ons mensen en misschien wel van al het geschapene?’

 

De Stem, de innerlijke Goeroe antwoordt: ‘Als je de grote openbaringsboeken leest, zoals onze bijbel, zoals de geschriften van de grote mystici, de grote ingewijden, dan zul je zien – en dat geldt vooral voor de bijbel – dat zij zo zijn geschreven dat zij mensen in tal van stadia van innerlijke ontwikkeling iets te zeggen hebben. In zulke geschriften zit vaak een concrete, historisch-dramatische laag. Ook kan het historische gebeuren als een ethisch-stichtelijk, moraliserend verhaal worden gelezen. Ten derde is er echter de voor de meeste mensen nog ongrijpbare symbolische laag, waarin het onzegbare in beelden en in de structuur van het oppervlakteverhaal wordt uitgedrukt.

 

Degene die innerlijk zover is gekomen dat zij of hij het derde niveau begrijpt, kan het centrale Christusthema van de westerse spiritualiteit als volgt leren zien. In tijden waarin het de mensheid slecht ging, hebben zich steeds weer hoge wezens gemanifesteerd om de mensheid te helpen. Dit waren enerzijds wat het Oosten noemt avatara’s: volledige goddelijke incarnaties, een allerhoogste goddelijke entiteit die zich even manifesteert in een mensenlichaam, zoals Rama of Krishna in de oosterse oudheid. Anderzijds waren het menselijke individuen die tot het allerhoogste niveau waren gelouterd: die alle zelfzucht hadden getransformeerd tot mededogen , alle begeerte tot wijsheid, die hun ego-isolement hadden doorbroken en weer één waren met het al. Zo iemand was de Boeddha omstreeks 500 jaar voor het begin van onze jaartelling, en daartoe behoren ook mensen zoals Ramakrishna in de negentiende eeuw, de grote, gelouterde wijzen.

 

Deze twee, in het Oosten afzonderlijke spirituele richtingen – die van de zich louterende mens en die van de zich even manifesterende God, de boeddhistische weg en de hindoeweg, kort gezegd – zijn in het Westen verenigd in de figuur van Jezus Christus. Jezus van Nazareth is voor het Westen wat Boeddha was voor het Oosten:een mens van de allerhoogste orde, gelouterd, rein van ziel, vrij van alle ego-illusies en egobegeerten. In hem manifesteert zich in de laatste drie jaren van zijn leven, van de doop in de Jordaan tot de opstanding, het goddelijke Christusprincipe dat zich verbindt met de aardse wereld. Je kunt de mens Jezus vergelijken met Boeddha en je kunt Christus, de even geïncarneerde zonnegod, vergelijken met Krishna, de avatar van het goddelijke Vishnu-principe. De combinatie van deze twee, de hieros gamos, het heilige huwelijk tussen de Boeddha-impuls en de Krishna-impuls in één persoon, dat is het unieke van de westerse, christelijke weg. De mens die (weer) God wordt, Jezus, en de God die mens wordt, Christus, gaan verenigd de weg van lijden, dood en opstanding.
In oosterse termen zou je kunnen zeggen dat in Jezus Christus ego (het lagere ik) en atman (het hogere zelf) één zijn geworden. Niet is, zoals in het Oosten, ego uitgewist, vernietigd, opdat atman het bewustzijn kan bepalen. In de hieros gamos die in Jezus Christus plaatsvond is ego atman geworden, en atman ego. Het is alsof, weer in oosterse termen, het onderscheid tussen de prins Arjuna en zijn wagenmenner, de avatara Krishna, zou zijn opgeheven. Arjuna volgt niet de leer van Krishna, nee, Arjuna en Krishna worden één. Het voor de oosterling terecht abjecte egobeleven is sinds Jezus Christus zelf doortrokken van goddelijke atmankrachten. De kosmisch wijde atmanervaring is zelf geïncarneerd tot in het puntvormige egobeleven.

 

Jij, als esoterische westerse discipel, behoeft daarom ook niet zoals de oosterse jouw ego ondergeschikt te maken aan je goeroe, die voorlopig jouw hoger zelf, het atman, zou representeren. Jij moet noch mag het ego doden, uitwissen. Onze westerse Krishna-parallel, Christus, bevindt zich in Jezus, het is niet iets hogers buiten Jezus, “niet het andere”.

 

Jij als westerse discipel hebt ook andere oefeningen nodig dan de oosterse op het esoterische pad. Voor de oosterse discipel gold: laat je ego los, dan vind je atman. Voor jou als westerse discipel geldt: vind de kern van je ego, dan transformeert je ego tot hoger Zelf, dan blijken “ik” en “Christus in mij” over hetzelfde te gaan.’

 

Het gevaar van deze weg is volstrekt polair aan de gevaren van indolentie en berusting en eventueel spiritueel egoïsme die dreigden voor de discipel die een eindje op de oosterse weg is voortgeschreden. Het westerse gevaar is dat men weliswaar voelt dat in het ego het hoger Zelf (waarvoor het Christusprincipe model staat) is te vinden, maar dat men vergeet dat er heel wat moet gebeuren wil deze ontdekking en de realisatie ervan werkelijk plaatsvinden. Gelijk Parsifal bevinden wij ons al in de graalburcht, maar moeten er weer uit en nog een lange, barre tocht maken om de juiste daad te kunnen doen, de juiste vraag te kunnen stellen, waarna wij graalkoning worden.

 

Gelijk Faust zijn wij geneigd in eerste instantie alleen maar aan onze laagste ego-impulsen gehoor te geven. Tot die laagste impulsen behoren behalve het angstige streven naar zelfbehoud, het hebzuchtige lustleven en het gewelddadige machtsstreven ook onze intellectuele strevingen die voor een groot deel uit angst en vooral machtsbegeerte voortkomen.

 

Het innerlijke doodsproces waar de oosterse discipel doorheen moet, laat haar of hem herrijzen zónder ego. Het innerlijke doodsproces van de westerse discipel betekent het ‘sterven in Christus’: wat als een chymische Hochzeit, een alchemistisch huwelijk, is tussen ego en hoger Zelf.

 

Omdat de westerse weg een individuele weg is, is het goed voor de meeste westerlingen dat zij zich het kosmische gebeuren niet anders dan lineair kunnen voorstellen. Zij zien slechts een stukje van de kosmische bollen die de oosterling overziet. Zo ‘n stukje van een kosmische bol lijkt dan een rechte lijn. En ook van de herinnering aan of het directe weten van reïncarnatie is in het Westen niet veel over, omdat het voor de westerse discipel meestal goed is dat zij of hij niet kan vluchten in voorstellingen over talloze levens, maar als het ware wordt geketend aan het kortstondige hier en nu van één aardeleven, opdat hij/zij in een volgroeid ego ooit het geheim zal kunnen vinden.

 

Voor de echte oosterlingen is reïncarnatie een vloek, want een steeds verdere ontwikkeling van hun egobewustzijn dreigt dan, terwijl zij daar juist zo gauw mogelijk van af willen. Voor de westerse mens is de gedachte aan reïncarnatie daarentegen vaak een lustvolle illusie: nóg meer kansen om als ego op aardse wijze te existeren!

 

De westerse goeroe, die innerlijke Stem, zegt dus: ‘De ideale oosterling doodt het ego, wordt tot Atman, eventueel helpt zij of hij ook nog haar medeschepselen in die richting: het bodhisattva-ideaal. De westerse discipel echter vindt “Christus”, het hogere Zelf in het ego, waardoor dat ego transformeert. Haar of zijn taak is niet gelegen in het Nirvana, maar hier op aarde, zolang de aarde bestaat, om al wat aards is te helpen bij het Christusprincipe in al het ogenschijnlijk zo lage en beperkte aardse te vinden.

 

De oosterse weg is centrifugaal, de westerse weg is centripetaal. In het Oosten streeft de druppel (het ego) ernaar weer op te lossen in het Al van de Oceaan. In het Westen komt de Oceaan tot een hoger bewustzijn in de druppel.’

 

Ongeacht of u zich innerlijk verwant voelt met de oosterse of de westerse spirituele mensvisie, of u zich voelt aangetrokken tot ego-uitwissing of tot egotransformatie, zullen sommigen van u zich afvragen wat je als mens kunt doen en laten om je spirituele groei te bevorderen. Een van de vele systemen die ik ben tegengekomen is te vinden bij iemand die zelf duidelijk een grensfiguur is tussen oost en west, de hindoeleraar Eknath Easwaran, die in India Engelse letterkunde doceerde en die sinds de late jaren zestig in Amerika oosterse wijsheid doceert. Hij behoort tot de mensen die een poging doen oost en west te verzoenen.

 

Easwaran geeft wat hij noemt (met verwijzing naar het achtvoudige pad van de Boeddha) zijn achtvoudige pad om innerlijk verder te komen. Het bestaat uit de volgende onderdelen:

 

1. Meditatie. Iedere ochtend of avond concentreer je je gedachten op een voor jou belangrijke tekst, die je jarenlang kunt aanhouden. Je trekt daar ongeveer een half uur voor uit (meer hoeft niet, minder kan desnoods) en kiest steeds een vaste, speciale plek, waar je niet wordt afgeleid. Zo’n vaste plek en een vast tijdstip maken het mediteren veel gemakkelijker. Als mogelijke teksten noemt Eknath Easwaran bijvoorbeeld hoofdstuk 2 en 12 van de Bhagavad Gita of het eerste hoofdstuk van de Dhammapada, of de 23e psalm uit het Oude Testament, of hoofdstuk 1 uit het evangelie van Johannes, of het Zonnelied van Franciscus van Assisi.

2. Het zeggen van de mantram die je hebt gekozen, zo veel mogelijk, overal en te allen tijde. (Mantram: naam van een heilige, of zinsnede die men stilzwijgend herhaalt ter concentratie van het bewustzijn.)

3. Langzamer handelen, met meer awareness.

4. Eén ding tegelijk doen.
5. Training van de zintuigen met betrekking tot wat je eet, de lectuur die je tot je neemt, de beelden die je consumeert via films of televisie.

6. Anderen laten voorgaan.
7. Inspirerende lectuur voor het inslapen, na de avondmeditatie.
8. Satsang, dat wil zeggen de omgang met mensen met eenzelfde spirituele oriëntatie.

 

(Uit: Andreas Burnier: Een gevaar dat de ziel in wil. Augustus, 2003)

Andreas Burnier, getekend door Siegfried Woldhek
Verantwoording  -  Copyright
Webdevelopment: Silicium interactief